Vanaf de grond opnieuw (1)

Het was 19 april 2005. Ik zat in de woonkamer van een bevriend priester, te kijken naar de witte rook op het scherm. Habemus Papam. Eindelijk, afwachten. Toen kardinaal Ratzinger – later paus Benedictus XVI – verscheen op het balkon boog de priester zich echter diep voorover en zuchtte languit “dat dit wel het einde van de Kerk moest betekenen”.

Het werd 22 april 2010. Ik stond in mijn woonkamer en vernam het nieuws. Roger Vangheluwe, bisschop, had ontslag genomen. Het verhaal kent u. Ik stond gebeiteld. En dacht: “dit moest wel het einde van de Kerk betekenen”.

Het was 12 februari 2020. Paus Franciscus publiceerde het document “Geliefde Amazone”. Er was hoop geweest, maar nu niet langer: geen gehuwd priesterschap, geen vrouwelijke diakens. Ik vertelde het nieuws aan een bevriend geestelijke. Hij was ontsteld bij het aanhoren van dit nieuws en zei: “dit zal het einde van de Kerk betekenen”.

Nu goed.

Alles begon natuurlijk veel eerder fout te lopen. Het échte “einde” werd – in Vlaanderen althans – in de jaren ’40 (meer bepaald vanaf 1943) ingeluid en waargenomen in de harde statistieken : een dalend aantal roepingen, veel uittredingen (vooral vanaf media jaren ’50), dalend kerkbezoek.

De oorlog dus. Vele gelovigen voelden zich letterlijk en figuurlijk in de steek gelaten door (een) God (die tussenkomt) en hun gebed om de ellende op te lossen niet aanhoorde. “God stierf in de concentratiekampen zei Elie Wiesel (nobelprijswinnaar en overlever +2016), maar hij voegde er ook aan toe ““De oprechte christen weet dat wat stierf in Auschwitz niet het Joodse volk was, maar het christendom.” Daarmee doelde hij op het feit dat de Kerk een verantwoordelijkheid had in het ontstaan en verspreiding van antisemitisme, vaak gestoeld op enkele “letterlijk gelezen passages in de bijbel”. Maar feit blijft: vanaf 1943 voelen steeds minder mensen zich geroepen. De Kerk zelf roept, tot op vandaag, het “cultuurrelativisme”, “secularisatie” en “consumentisme” in als redenen van de neergang, maar van dit alles was bitter weinig te merken tijdens de oorlogsjaren.

En er werden ook voor het eerst openlijk vragen gesteld. Dat gebeurde ook in het gezin van mijn vader. Zij hadden het erg moeilijk na de oorlog, grootvader stierf in ’47 en met de strenge winters waren ze voor een stuk afhankelijk van bedelarij. Er werden “kolen” geschooid” bij de buren. De buren zelf, die het even moeilijk hadden, kregen echter kolen aan de deur. Ze waren katholiek en moesten geholpen. Ook mijn tante kreeg geen baantje, want de pastoor die dit regelde, vond dat er te weinig presentie was in zijn parochie. Er werden dus vragen gesteld over de almacht van de Kerk, en het feit dat ze alle facetten van het menselijk bestaan (van wieg tot graf) bepaalden, tot in de slaapkamer toe.

En toen was er plots het stemrecht voor vrouwen (1948), een doorgedreven economische groei, de jaren ’50 dienden zich aan. Niks bleek stand te houden, ook toen reeds waren vele katholieken bevreesd dat het einde nabij was. Het einde van het rijke Roomsche leven was in elk geval een feit.

De sixties. De jaren ’60 worden tot op vandaag verfoeid en nostalgisch omarmd. Wellicht hoeven we beide niet te doen. Want nogmaals: het verval begon veel eerder. De Kerk voelde dat de wind tegenzat en paus Johannes XXIII ontstak de Kerk in vuur en vlam met een nieuw concilie (1958-1963). De documenten die daaruit voortkwamen én de nieuwe liturgische voorschriften deden de hoop rijzen dat modernisering in de lucht hing. Ten dele was dit ook zo, maar aan de moraal en de structuur zelf werd maar weinig getornd. Je kunst rustig stellen dat de openheid naar de wereld sterker werd, maar binnenkerkelijk veranderde voornamelijk wat vorm. De strenge moraal bleef overeind. Maar de mensen, die haakten stilaan af.

De zestiger jaren van de twintigste eeuw brachten dus niks meer dan een versnelling van de feiten. Een babyboom-generatie stond op en gestut door nieuwe invloeden binnen de Westerse cultuur ontsnapten veel gelovigen uit de nestels van een – voor sommigen – verstikkend katholiek klimaat.

Daarnaast waren er veel gelovigen, maar ook priesters en religieuzen die diep ontgoocheld waren dat de beloofde moderniseringen er niet kwamen. Toch bleven velen loyaal en de teruggang verliep zeker maar gestaag.

Maar op 25 juli ’68 gebeurde iets wat niemand had voorzien. En toen ging het écht snel.

Thomas Holvoet

(wordt vervolgd)

Een gedachte over “Vanaf de grond opnieuw (1)

Reacties zijn gesloten.