“Weg met ons” – over identiteit

In samenlevingen die grote veranderingen ondergaan is de voorspelbaarheid van de individuele levensloop weggevallen. Gewekte verwachtingen blijken opeens niet meer uit te komen, dubbeltjes kunnen een kwartje worden of zelfs een gulden,… Doelen die men zich in de jeugd stelde blijken op latere leeftijd niet altijd haalbaar. Sterker nog: ook de familie-idealen van wederzijdse hulp en opoffering zal een boer soms terzijde moeten schuiven, wil hij kunnen overleven in de wereld van vandaag.”

“Zo is het gegaan. Sietske is dood. Fedde is dood. Minne is dood. In de hooischuur van Fedde staat tegenwoordig een zeiljacht opgeslagen, over zijn oude modderpad is een recreatieroute aangelegd en het weiland dat Minne jaar na jaar bemaaide is door Staatsbosbeheer volgezet met eiken, berken, lariksen en andere natuur. Maar de overlevers zijn dood, en niemand heeft hun plaats ingenomen.

(Citaten uit “Toen God verdween uit Jorwerd”, Geert Mak.)

Anno 2020 lijkt de wereld voor velen uit handen geglipt. Een groeiende groep mensen weet dat de samenleving in een dusdanig tempo veranderd is dat alle herkenbaarheid er uit verdwenen wordt. Dit “verdwenen worden” incarneert een dubbele ervaring: “het feit dat dat de verdwenen wereld een situatie is die zich op alle levensdomeinen geënt heeft” en “de vaststelling dat dit proces van onherkenbaarheid zich verder doorzet door (on)zichtbare culturele en politieke processen, die – in ogen van velen – vernietigend doorwerken maar die tegelijk iets anders installeren.

Deze ervaring leidt tot een spagaathouding. Aan de ene kant is er de voortdurende omhelzing van het verlorene, gecultiveerd door nationalistisch en identitair gedachtengoed, die elke relatie weigert met de moderniteit en trouw zweert aan een imaginair wereldbeeld (dat nooit heeft bestaan). Aan de andere kant is er de dwang om zich in te schakelen in een maatschappelijk proces met het adagium dat je erbij hoort indien je toegeeft aan een voortdurende veranderlijkheid die haar eigen agogische werkelijkheid als identiteit uitdraagt op straffe van totale uitsluiting bij weigering (om welke reden dan ook: fysieke, filosofische, psychische, socio-culturele, etnische, levensbeschouwelijke, religieuze, politieke etc…).

Het verlorene is een construct, een gemaakt subject. Maar het is tegelijk werkelijkheid. Het verlies is er dus wel degelijk, zowel meetbaar als symbolisch. Het meetbare verlies spreekt in cijfers en beelden: de verzorgingsstaat werd een welvaartsstaat, de sociale zekerheid wordt steeds meer gekoppeld aan het begrip “subsidiariteit” (waardoor steeds meer mensen uit de boot vallen), de dienstverlening verdwijnt (van postbussen tot haltes, van geldautomaten tot loketbedienden, van bibliotheken tot kleine zelfstandigen) en wordt steeds sterker gecentraliseerd (en ook ginds afgebouwd). Het symbolische verlies daarentegen spreekt in verhalen en rituelen: zwarte piet wordt roetpiet, de kerstvakantie wordt winterverlof, de secularisering en privatisering van het levensbeschouwelijke (waardoor de gemeenschappelijke delers volledig verdwijnen), de desintegratie van de sociale cohesie.

Ricœur : "Je ne peux saisir l'acte d'exister ailleurs que dans des ...

Het meest gevoelige punt is dit van de verhalen, het narratief. Maar waarom springt dit er uit en wordt dit door de mens als wezenlijk ervaren, al is hij zich hier niet van bewust. Hiervoor grijpen we terug naar de Franse filosoof Paul Ricoeur. Het belangrijkste inzicht dat Ricoeur ons in Temps et récit meedeelt is dat de mens een vertellend wezen is. De mens verhoudt zich volgens hem op een verhalende manier tot zijn leven en kan zodoende beschouwd worden als een personage in het levensverhaal dat hij over zichzelf vertelt. Een van de sleutelbegrippen in zowel Temps et récit als Soi-même comme un autre is dan ook ‘narrativiteit’. In tegenstelling tot de filosofische traditie, die loopt van Augustinus tot Heidegger, gaat Ricoeur niet op zoek naar de essentie of definitie van tijd, maar richt hij zich op hoe hij wordt ervaren. Dit onderzoek brengt hem uiteindelijk tot de conclusie dat narrativiteit de enige manier is waarop de ervaring van tijd gearticuleerd kan worden. Narrativiteit blijkt echter niet alleen de manier te zijn waarop men zijn ervaring van tijd kan uitdrukken, ook de eigen identiteit blijkt narratief gearticuleerd te worden. Ricoeur omschrijft de persoonlijke identiteit dan ook als een narratieve identiteit.

Wordt vervolgd…

Deel 1/3 – Beeld: Paul Ricoeur, filosoof (1913-2005)