Ed Hoornik, 50 jaar dood

Ed Hoornik was een groot, maar – grotendeels – vergeten dichter. Hij werd geboren in Den Haag (1910) en overleefde het concentratiekamp Dachau, dit jaar op 29 april 75 jaar bevrijd. De kampen hebben hem getekend, wat hij in talloze gedichten tot uitdrukking bracht. Maar hij beschreef meer, veel meer dan dit. Guido Vanhercke neemt ons mee op zijn pad en maakte een treffend portret. Een heel jaar lang wil Spiranti deze dichter alle vergeten aandacht geven die hem toekomt.

Op weg naar Italië wilde ik Dachau bezoeken. Ik had Ed Hoornik gelezen, de Nederlandse dichter die daar van 26 mei ‘44 tot 29 april ’45 gevangen zat, en wilde zien wat hij had gezien. Maar toen ik van het hoofdgebouw uitkeek op het kamp, zag ik een immense lege vlakte. Alle barakken waren verdwenen. Ik zag een leegte, en die leegte gaf mij een groot gevoel van vervreemding. Alsof alles een droom was geweest, een akelige droom, een nachtmerrie met messen. Voortdurend zei ik tegen mezelf: hier heeft Hoornik gelopen, in deze hoek heeft hij moeten vrezen voor zijn leven, in deze andere hoek heeft hij beelden gezien die hem nooit meer zouden verlaten, daar geluiden gehoord die hem zouden blijven kwellen. Maar het bleef vreemd, een gruwel onzichtbaar opgeslokt door een propere, netjes onderhouden plek, een halte onderweg voor toeristen als ik. Vreemd, want ongrijpbaar. Het gevoel dat je hebt als je net lang bij je dode moeder hebt gezeten, en buiten komt en merkt dat de wereld van niets weet en gewoon verder raast…

Maar ik ben slechts een onschuldige passant. De vervreemding die ik meen te herkennen in de gedichten van Hoornik, gaat veel en veel dieper. Hoe ben je wakker in een wereld die leeft in en rondom je, maar waar de dood zomaar kan binnen breken, niet tegen te houden: de klem rond je hart als je weer die beelden ziet, al zit je gewoon in de tram en kijk je door de ruit naar het voorjaar buiten. Hoe leef je met de eenzaamheid en de angst die dan in je lijf achterblijven? Met de achterdocht, de paniek, het gevoel waanzinnig te worden soms? Het is die intense, existentiële noodzaak in de gedichten van Hoornik die mij raakte, toen ik ze voor het eerst las. En hun existentiële worsteling en angst en eenzaamheid blijven mij raken, zelfs al lees ik ze voor de zoveelste keer. Verzen als: “En iedere dag opnieuw moet ik mij dwingen/ tot het duel met de gewone dingen:/ ik doe het, maar soms is het of ik stik.” Let op het woord duel, zelfs al gaat het over het leven van elke dag, van elk moment. “Ik weet zeker, dat het geen verschil maakt,/ of ik Dachau of de wereld zeg,” schrijft hij in Ex Tenebris, met een verwijzing naar psalm 130 (“Uit de diepten roep ik U, mijn God”).

En toch, en ook dat ontroert mij in deze poëzie, blijft hij verlangen. Hoe geslagen ook, een mens blijft zich oprichten. Er is iets in hem dat sterker is dan de dood. Dat is een bijbelse gedachte. Maar ik schrijf hem op omdat Hoornik zelf zich vastklampt aan dat religieuze spoor in hem. Net als Nescio gebruikt hij het woord God om een ander soort leven in een woord te kunnen vatten. Bij Nescio is God het moment dat volloopt met schittering, een plotse epifanie in de dag, om de hoek, bij een vergezicht, of een gezicht op straat. Bij Hoornik zal het niet verbazen dat ook dat woord God voorwerp is van heftige strijd: “Onmachtig ben ik, God, U te belijden./ Poolstilte waart Gij, toen ik om U schreide,/wanhopig wachten het gestelde uur.// Gij laat mij hongeren zonder rust of duur;/ Gij hebt mij lief achter een blinde muur./ Hoe haat ik U, hoe blijf ik U verbeiden” schreef hij in Tweespalt, een gedicht dat dateert uit de oorlogsjaren net voor hij werd opgepakt. Veel meer dan bij Nescio is Hoorniks beeld van God traditioneel gekleurd: een opperwezen, tegen wie hij zijn vertwijfeling uitschreeuwt. Dat hij wegduwt, wegvloekt. Maar toch weer gebruikt hij dat (zelf ook misbruikte) woord om er die momenten van vervulling in te leggen die hij nog ervaren kan. Dat Ex Tenebris-gedicht eindigt als volgt: “maar dan flakkert weer het zielsverlangen/ en

door ’t donker fladder ik naar God./ En opeens verlies ik mijn natuur:/ enkel ziel ben ik en enkel vuur.”

Ik zou eens moeten turven hoe vaak Hoornik het woord ziel gebruikt. Dat moeilijk grijpbare woord helpt hem om moeilijk grijpbare dingen te zeggen. Over zichzelf, over zijn aanwezigheid waar hij tegen aanloopt, over dat verlangen dat blijft terugkomen… Zowel “Dachau schoof een raster voor mijn ziel,” als “Is wat ik leef nog wel mijn eigen leven/ en als ik dag zeg, meen ik dan niet nacht?/ Vandaag en gisteren zijn opgeheven,/ onder en boven zijn niet meer van kracht.// Het moet mijn ziel zijn die is hier gebleven;/ mijn lichaam werd voor jaren weggebracht./ Er was een nummer op mijn borst geschreven/ en in mijn ogen regende het zacht.” (De Vogel)

Guido Vanhercke

Wordt vervolgd...

Een gedachte over “Ed Hoornik, 50 jaar dood

Reacties zijn gesloten.