Ed Hoornik, dichter, 50 jaar dood (2)

Ed Hoornik is een groot, maar – grotendeels – vergeten dichter. Hij werd geboren in Den Haag (1910) en overleefde het concentratiekamp Dachau, dit jaar op 29 april 75 jaar bevrijd. De kampen hebben hem getekend, wat hij in talloze gedichten tot uitdrukking bracht. Maar hij beschreef meer, veel meer dan dit. Guido Vanhercke neemt ons mee op zijn pad en maakte een treffend portret. Na deel 1 gaat hier dieper in op het werk zelf van Hoornik.

Getekend door de kampen

Is Hoornik een religieuze dichter? Niet in de zin zoals Bertus Aafjes, Michel van der Plas, Anton van Duinkerken, Guillaume van der Graft, Gabriël Smit dat waren. De laatste generatie dichters van een maatschappij die in al zijn geledingen traditie-gelovig was, en die door de Vijftigers belachelijk werd gemaakt en door de maatschappelijke veranderingen na de oorlog zwaar begon te twijfelen. Hoorniks religie is onlosmakelijk verbonden met zijn kampervaringen en is een vaak wanhopige poging die ervaringen te duiden, om er betekenis voor te vinden. Is dat geschonden leven dan toch iets meer dan enkel tragiek, zoals de Grieken het noemden: verwoesting van onschuld, zomaar, zonder reden. Integendeel, hoe onschuldiger, jonger, kwetsbaarder, hoe tragischer… Hoorniks religie, als ik het zo kan noemen, is die van de psalmen waar ook om redding geschreeuwd wordt, maar waar ook vervulling zijn lofzang kan vinden. Er is een mystieke kant aan Hoornik, als ik dat woord mag gebruiken…

Al voor de oorlog was Ed Hoornik (1910-1970) een (sociaal) bewogen man. Waarschuwde voor het fascisme en zijn Jodenhaat in het bekend gebleven gedicht Pogrom, met die onvergetelijke laatste regel “Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.” Zijn lange gedicht “Mattheus” verplaatst zich in een man opgenomen in een psychiatrische kliniek, vertelt hoe hij op een nacht ontsnapt, naar Amsterdam vlucht en daar zichzelf tegenkomt in droombeelden, herinneringen aan zijn dode moeder (Hoorniks moeder stierf toen hij nog maar zeven was), verlangens die hem compleet verwarren, en hoe hij uiteindelijk weer gearresteerd wordt en teruggebracht naar zijn opgesloten bestaan. In het lange gedicht Geboorte leeft hij zich in in de zwangerschap van een vrouw: hoe leven in haar groeit, verwacht wordt en uiteindelijk geboren wordt.

Zijn poëzie, zijn stijl

In een van zijn meest bekende gedichten, Requiem, raakt hem een berichtje in de avondkrant:

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
’t stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.
Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over ’t water komt zijn kleine stem.
-Te Middelharnis, denk ik, ‘k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.

Dit beroemde gedicht biedt me de gelegenheid iets over de vorm van zijn poëzie te zeggen. Ik val niet alleen voor al dat menselijke in die gedichten maar ook voor hun heldere spreektoon, voor de in toom gehouden vorm (vaak eerder korte verzen), voor de speciale klank van zijn rijmen. Het is goed dat de overlopende inhoud ingesnoerd wordt in die orde, in die regelmaat. Ik hou van zijn lange vertellende gedichten, waar hij een vaag verhalend kader gebruikt om een reis te maken in het binnenste van een of twee mensen (vaak zijn ze zelf ook onderweg, zoals in het gedicht De Vis, over een man en een vrouw die stranden in het Spaans-Baskische dorpje Zarauz, zij met haar gefrustreerde lichamelijke verlangens, hij met zijn innerlijke demonen).

Ik hou niet van de gedichten waar hij niet verder raakt dan opsommingen. Zoals in de volgende Requiemgedichten die het bovenstaande gedicht verder uitwerken, die hadden voor mij niet gehoeven. Of in het kapot gebloemleesde “Op school stonden ze op het bord geschreven, het werkwoord hebben en het werkwoord zijn”, een mislukt gedicht dat aanspreekt omdat het over heel diepzinnige dingen lijkt te gaan, maar drijft op onuitgewerkte tegenstellingen. Ik hou niet van de gedichten die niet verder raken dan een beschrijving die niets meer is dan dat. Dan is hij de minor poet, die hij ongetwijfeld gebleven zou zijn, had zijn leven een andere wending genomen.

Ik weet niet of het boek nog veel gelezen wordt, zelfs niet of het nog in druk is, maar Hoornik heeft zijn kampervaringen en de blijvende trauma’s ook uitgewerkt in een roman, met de veelzeggende titel “De overlevende”. Graag gelezen door schoolgaande jeugd, heb ik de indruk, omdat het, net als bijvoorbeeld Montijn (Dirk Ayelt Kooiman) een indringende inkijk geeft in die verre, onwaarschijnlijke periode van oorlog, kampen, dood en overleven.

Even samenvatten

Even proberen de thema’s samen te vatten die mij raken in de poëzie van Hoornik. Mij raakt dat uitermate verwarrende, bijna psychotische inbreken van een andere werkelijkheid in het moment van de dag. Wie ben je dan, waar blijf je dan, als je zo weinig greep nog hebt op die dag, op jezelf… Hoornik gebruikt heel vaak het beeld van de spiegel. De spiegel keert niet alleen de werkelijkheid om, maar stelt ook van die onmogelijke vragen: wie is de man die daar ogenschijnlijk staat, maar eigenlijk elders is, anders is, misschien niet (meer) is. “Een door de werkelijkheid gestoorde…”

“In gestreepte strodunne kleren,
barrevoets, een steen op de rug,
bewaakt door al langer gestraften,
waden twee aan twee de pas-doden
met stijvige benen en knieën
en nog ongestorven gedachten
de poort van het dodenrijk in.
Wanneer ze wat beter gaan zien,
ontwaren ze overal borden.
Het ene vermeldt: Quarantaine,
het andere: Zuiveringsplaats.”

“Een grondlucht van schimmel en aarde,
schrijft de man. Hij blijft erop staren,
gaat de keuken in om te drinken,
vergeet het, verzinkt in gedachten,
loopt terug naar zijn tafel en schrijft:
Ik lig op de buik van de aarde,
ik lig languit over een graf.”

Beide fragmenten komen uit het lange gedicht “De Overweg” waarin een man, geschokt door het doodsbericht van een vriend (het gedicht droeg Hoornik op aan zijn vriend Gerrit Achterberg), naar buiten loopt, de auto neemt, wegrijdt en door de slagbomen van een overweg tegengehouden wordt. Dan komen de beelden… De Nederlandse literatuur heeft, verhoudingen in acht genomen, zijn eigen Paul Celan. Die schreef over “een graf in de lucht” (Todesfuge), Hoornik ligt languit over een graf…

Mij raakt dat wanhopige verlangen, waarvoor hier woorden worden gezocht. “Zij had toch geloofd dat het kon/de ziel in het lichaam beleven/ (…) De ziel, denkt ze plotseling wanhopig/ bestaat slechts als God bestaat.” (De Vis). Maar ook God is een gevecht: de worsteling om uit de eenzaamheid te raken, om ook het goede te laten binnenbreken, in een aanraking, een glimlach (zoals in dat mooie gedicht Mijn dochter en ik, waardoor “ik langzaam in mezelf verander”), in een stem op straat die niet veroordeelt. Het moe makende grijpen naar dromen, die ijl zijn. Misschien allermeest nog het grijpen naar eenvoud, die weg is geraakt uit het schuldige raadsel dat hij maar blijft zien in ruiten en spiegels en de blik van wie naar hem kijkt…

Mij raken de pogingen om in strakke en toch soepel klinkende verzen vorm te geven aan de complexe binnenwereld van mensen, ook van wie niet heeft meegemaakt wat Hoornik meemaakte. Hoe strakker ritme en rijm, hoe meer de verwarring en de verlorenheid opklinken…

Twee opvallende fragmenten om mee te eindigen. Eén. Een schokkend fragment uit De Vis, schokkend omdat het voor mij onder woorden brengt hoe het eraan toe moet zijn gegaan in de gaskamers, op het moment dat iedereen daar tevergeefs slaat en schopt om in leven te blijven. Niet voor gevoelige lezers…

Théodule Augustin

Proberen er niet naar te kijken,
denkt de man, maar het is al te laat.
Om hem heen krioelt het van lijven:
een wriemlende, wroetende massa
van met vel overtrokken skeletten.

Slierten vochtig papierverband
hangen af van knokige benen.
Een knie zo groot als een hoofd.
Een arm steekt op zij als een stok.
Het kluwen komt langzaam omhoog:
een reusachtig stuiptrekkend dier
waar op polsdunne, benige stelen
overal hoofden uit steken,
die stuurloos geworden zich toch
mee opwaarts laten bewegen.
Onderwijl laten lichamen los,
ook worden er afgestoten;
ze sterven afzonderlijk verder.
Hun gereutel verstilt en houdt op.

Zelfs al zie je er niet het beeld in dat ik erin zie, je kan niet ontkennen dat dat de nachtmerries zijn die hem overspoelen. Het gebeurt “om hem heen”…

Twee. Als jonge twintiger schreef Hoornik het gedicht “De Trap”. Verdwaald tussen stille straten en bruggen ziet hij plots in een huis zonder deuren een trap. En hij gaat de trap op, “de goorste trap ter wereld,” zegt hij. “Er loert een hond, het stinkt naar urine en schimmel, er zijn kuilen en barsten in de treden, graffiti ziet hij, druppels vallen, hij vindt een kind met een oude pop, een trein raast naast, bijna door hen voorbij. Maar hij blijft gaan, er is iets dat hem drijft. “Als Christus nog eens hier zou komen, ik zou hem voeren naar die trap, de eindeloze trap der armen,die voor dit éne lied niet wijkt; schenk mij als Jacob uw erbarmen: een trap, die tot de hemel reikt.”

Guido Vanhercke