Vanaf de grond opnieuw: “de pil, the sixties, Humanae Vitae” (2)

De Katholieke Kerk is reeds in verval sedert de oorlogsjaren. Het idee dat de jaren ’60 de oorzaak waren doet onrecht aan de complexiteit van dit fenomeen. Wat wel vaststaat is dat “the sixties” een katalysator waren die het proces deden versnellen. Maar daar heeft de Kerk zelf ook een grote verantwoordelijkheid in te dragen.

In de eerste bijdrage werd duidelijk gemaakt dat het kantelpunt in Vlaanderen gesitueerd moet worden tijdens de oorlogsjaren van W.O. II. Nu is het belangrijk te stellen dat de Katholieke Kerk in die jaren een sterke (zeer voorwaardelijke) caritatieve insteek had binnen het dagelijks leven van mensen, tot de jaren ’40. En gezien de vele noden was die hulp welgekomen.

Maar verschillende factoren zorgden er voor dat die keuze voor (caritatieve) dienstbaarheid stilaan moest losgelaten worden. Vooreerst was er de oorlog zelf, het dalend priesterbestand en de missies die steeds meer personeel opeisten. Zo herinnert mijn vader zich een spandoek dat boven de schoolpoort hing met daarop geschreven: “nog x miljoen moslims moeten bekeerd worden”. Nee, geen grap. Maar het bewijst wel dat het kerkelijk beleid dit vooropstelde als prioriteit.

Té vooruitstrevende ordes, of ordes waar aanhoudende problemen waren, werden structureel maar stelselmatig ontmanteld. Zo is er het verhaal van de Broeders Van Dale in Kortrijk waar de broeders gedwongen werden om vanaf 1956 broeders te zenden naar Congo. De orde had echter een lange geschiedenis in het onderwijs in de stad met zo’n vijftal scholen. Maar naar het einde van de jaren ’50 werden deze doorgegeven aan andere instanties, tot spijt van velen.

Reeds eind de jaren ’40 begon het te dagen dat het niet goed ging met de cijfers in grote delen van de Westerse – toen nog sterk euro-centrisch gerichte Kerk. En dat zorgde voor wrevel bij bisschoppen en theologen. De klachten waren toen al de volgende: de gelovigen begrijpen de geloofstaal niet (Latijn), de afstand tussen priester en gelovige is te groot, we zijn té klerikaal bezig en hoe zit dat met onze verhouding ten aanzien van de wereld en de andere levensbeschouwingen? Zolang het goed ging hield iedereen de lippen stijf, maar nu was de geest duidelijk uit de fles, er werden kritische vragen gesteld.

Was er tot midden de jaren ’40 nog een sterke voor-wat-hoort-wat-verhouding tussen Kerk en samenleving, dan werden de naoorlogse jaren getekend door veel frustraties aan beide kanten. Je had de Kerk die op alle levensdomeinen de touwen stevig in handen hield, en je had een groeiende groep mensen die – meestal stilzwijgend – zich afkeerde van (kerkelijke) wet en moraal. Binnen de Belgische context wordt deze these ook politiek ondersteund. Terwijl de jonge CVP in 1950 nog een monsterscore behaalde van 60,3% (wat veel met de Koningskwestie te maken had) moest ze in 1954 de rol lossen voor de paarse regering van Achiel Van Acker. Haar dominantie was definitief voorbij na de verkiezingen van 1961.

Hoop en aggiornamento

Niet lang nadat Paus Johannes XXIII aan zijn pontificaat begon kondigde hij het Tweede Vaticaanse concilie af. Deze grote kerkvergadering begon in 1962 en zou 3 jaar duren. Iedereen stond verbijsterd want vooraf was niks doorgesproken. Sommige fluisterden dat “de paus gek geworden was en niet wist waaraan hij begon.” Maar hij zette door.

Paus Johannes XXIII

Van 1962 tot 1965 werden talloze documenten geschreven en bekrachtigd die een nieuw elan zouden geven aan de Katholieke Kerk. Er rees hoop, niet in het minst bij de priesters zelf. In deze bijdrage ga ik niet dieper in op de inhoud van de verschillende conciliedocumenten maar de lezer moet goed begrijpen dat de impact voor de gewone gelovige overweldigend was: plots stond de priester gericht naar het volk, centraal, en werd er in de moedertaal eucharistie gevierd. Maar er was veel meer waardoor enig perspectief ontstond, zeker die eerste jaren na het concilie.

Ondanks Vaticanum II, dat niet door Johannes XXIII (hij stierf reeds in 1963) maar door paus Paulus VI werd afgesloten, waren er maatschappelijke veranderingen gaande die al vlug de hoop zouden keren. De babyboomgeneratie liet voor het eerst van zich horen. Een groeiende economie, nieuwe communicatiemiddelen, de ontplooiing van een culturele scene en de verzorgingsstaat waren mee stuwkracht voor de grote omwenteling. De Kerk had geen antwoord.

Maar vooral de eerste bruikbare pil, op de markt gebracht door de Belg Ferdinand Peeters in 1961, deed stilaan zijn intrede in de slaapkamer van Jan en An modaal. De bemoeienissen van de Kerk op het vlak van seksualiteit, de man-vrouw-verhouding en de dwingende noodzaak aan “kroostrijke gezinnen” was velen al langer een doorn in het oog. Nand Peeters, zelf een diep gelovig man, mocht tijdens de conciliejaren zijn onderzoeksresultaten op 1 mei 1963, in audiëntie, voorstellen aan Johannes XXIII, die geen bezwaar maakte.

Ferdinand Peeters, Belg en uitvinder van de eerste bruikbare pil

Maar na zijn dood en na Vaticanum II vond paus Paulus VI het welletjes. De eerste resultaten van het concilie leidden allesbehalve tot een nieuwe stormloop naar de kerken en conservatieve theologen en kerkleiders stonden hard op de rem om de beloofde binnenkerkelijke hervormingen door te voeren. Daarenboven namen het aantal kroostrijke gezinnen in snel tempo af.

Op 25 juli 1968 vaardigde de paus zijn zevende en laatste encycliek uit die als titel “Humane Vitae (het menselijk leven)” zou dragen. Daarin werden alle vormen van anticonceptie eenvoudigweg verboden. “Het doel van seksualiteit was en bleef de voortplanting” zo luidde het. Ferdinand Peeters was verbolgen maar staakte zijn onderzoeken. Zijn leven blijft echter zeer filmwaardig.

De reacties op het document, zowel binnenkerkelijk als breed maatschappelijk, waren ronduit vernietigend, ontgoocheling heerste alom. Binnen de Kerk begon de massale uittocht van zowel priesters, religieuzen als gelovigen; en maatschappelijk werd de tekst scherp afgewezen. Ook onderzoek in 2014, naar aanleiding van de gezinssynode te Rome, wees uit dat bijna alle gelovigen de concrete toedracht van de encycliek ten volle naast zich neerleggen.

Ferdinand Peeters kreeg echter nog zijn pauselijke zegen in 1985 uit de handen van paus Johannes Paulus II. Niet omwille van de pil, maar uit erkentelijkheid voor zijn inzet in het onderwijs. Een bittere…

Tot op vandaag vragen gelovigen de encycliek opnieuw te interpreteren. Maar dit heeft nog steeds geen enkel effect gegenereerd in Rome. De deur blijft gesloten. Ook onder Franciscus.

In de volgende bijdrage gaan we dieper in op de jaren ’70, het ontstaan van de basisbewegingen, de aanstelling van kardinaal Danneels en het succesvolle pausbezoek in 1985, een laatste opflakkering. Maar de samenleving? Hoe ging het daarmee?

Thomas Holvoet

Afbeeldingen: Jan Glorieux en