We sluiten ons steeds meer af van de buitenwereld

We sluiten ons steeds meer af van de buitenwereld, we isoleren onszelf, zoeken schutting tegen? Het gaat blijkbaar om onze eigenheid, onze eigen sfeer, naast of tegenover de openbaarheid, waarin je als individu kunt verzinken en verdrinken. Levensbelangrijk dus, maar etymologisch klinkt het wel negatief. Hoe zit dat precies?

Van tuinen naar scheiding…

De heggen en de hagen worden steeds hoger, lijkt mij soms.. En de poorten sluiten ook meer af. Privacy is een steeds groter goed geworden, in twee betekenissen… Even over tuinmuren gluren…

De afsluiting was het begin van de tuin, zeg ik soms. Maar wat voor impact hebben afsluitingen, vraag ik mij soms af. En dan stel ik vaak de vraag: wat verraden de termen volgens de etymologie daarover?

De Engelse afsluiting, fence, wijst op haar doel: zij is totaal de-fensief. Zij heeft ook dezelfde wortel en is dus ook bedoeld als verdediging, heel simpel. Maar de fence blijft wel een af-sluiting. Je sluit niet alleen, maar je sluit af, dus in principe totaal. Of nog: je isoleert als het ware, je “ver-eilandt” (insulate < insula), je creëert iets aparts (a-part, een deel op zich) uit het geheel. Zoals ook een schutting: je scheidt met schotten af, of mogelijk vergrendelde je in eerste instantie, lezen we in etymologiebank.nl. Maar dat is dan verder geëvolueerd tot beschermen: beschutten, schützen in het Duits… Als ik echter kijk naar eerder bescheiden villa’s omzoomd door een manshoge omheining, dan hebben die mensen zich afgesloten van de buitenwereld en leven ze, euh, opgesloten. En dat was voor corona.

Heggen en hagen

Heggen en hagen konden ook helpen. Groen, zoals struiken of doornige halfhoge bomen, omringde en beschermde. We zien dus vaak scheiding en bescherming samen. Een clôture in het Frans leek mij vriendelijker, maar achteraf bekeken is het dat niet: je sluit – en je sluit meteen  af. Nu, clôturer doet denken aan ‘klooster(s)’, Lat. claustrum. Telkens weer sluiten, claudere in het Latijns (numerus clausus, claustrofobie), en meteen passen daarbij: sleutels, clé, conclusie. Allemaal dezelfde stam (l-t/d), maar in het Germaans is vooraan de s (sl-t) toegevoegd. Nu, dat kloosterslot kan ook zinnig zijn, zo mochten sommigen merken tijdens de quarantaine: het bevrijdt je van te veel appels, impulsen, en brengt je weer tot jezelf: FOMO-loos. Een spiritueel monnik meende trouwens in het claustrum een baarmoeder te herkennen: in een bepaalde fase van ons leven hebben wij net beschermende intimiteit nodig*.

Altijd afsluiten dus. Zoals trouwens bij privacy. Daar gaat het om onze eigenheid, onze eigen sfeer, naast of tegenover de openbaarheid, waarin je als individu kunt verzinken en verdrinken. Levensbelangrijk dus, maar etymologisch klinkt het wel negatief. Het Latijnse privare betekent scheiden, zowaar beroven, afnemen. In het Frans klinkt het nog altijd nog altijd negatief: “des gens privés de liberté” hebben geen vrijheid meer. Datzelfde geldt in het Engels: “deprived of love”, enz., vaker figuurlijk.

Het is dus allemaal best positief: afsluiten om eigen, veilige plekken te creëren, maar het blijft toch wat dubbel. Soms ver-eilanden we (isolatie, van insula, eiland)… Zoals zo vaak: er moet een evenwicht zijn, tussen bijvoorbeeld afstand en nabijheid. En dat kan al eens moeilijk zijn.

Postscriptum/ niet gepubliceerd:

*Kloosters ontstonden door de hoge muren, zo lijkt het wel. Vandaar dat het binnenste deel van het klooster de naam ‘slot’ draagt, want: gesloten voor de buitenwereld. Eigenlijk geldt dat ook omgekeerd: gesloten naar binnen toe. Benedictijner monniken hebben hun stabiliteit, wat impliceert dat hun bewegingsvrijheid beperkt is, vooral om de weg naar binnen te vergemakkelijken.

Nu, ietwat positiever licht valt op sluiten en afsluiten, als het zou kloppen dat een “claustrum” bij Bernardus van Clairvaux of een andere cisterciënzer vader ooit verwees naar de baarmoeder. En dan licht plots iets heel moois op: een foetus vertoeft in de beslotenheid, intimiteit, en kan zich daar in veilige verbondenheid ontwikkelen, tot hij of zij de veiligheid wel moét verlaten

Jan Glorieux – Woordwaarde, woordweelde