Er bestaat geen enkele studie over het missieverleden van België

Wie Vlaanderen/België wilt begrijpen moet zich verdiepen in zijn geschiedenis. Maar wat als bepaalde facetten uit die geschiedenis nooit onderzocht werden? Wat valt er dan te begrijpen? Het missieverleden is zo’n belangwekkend facet. Meer dan 15000 mannen en vrouwen werden uitgezonden naar verre landen. Maar hun verhaal kennen we slechts fragmentarisch. Ook de consequenties van hun aanwezigheid werden nooit in kaart gebracht. Het lijken haast spoken: soms geromantiseerd, meestal genegeerd of zelfs verafschuwd. Michel Coppin, afscheidnemend directeur van Missio België, ziet het probleem van een ongekend verleden.

Een onderzoekscommissie over het koloniaal verleden van Congo

In september wordt een onderzoekscommissie opgericht om het koloniaal verleden van Congo tegen het licht te houden. Gekoloniseerd Congo bestond uit een driepikkel: overheid, bedrijfsleven en de missies. Indien men straks dat licht wil aanzetten zal men één van de drie pikkels niet goed kunnen begrijpen, want er is eenvoudigweg onvoldoende kennis.

De missies in de wereld

Het laatste overzichtsonderzoek over de Belgische missies in de wereld dateert uit…1930. Enkel professor Dries Vanysacker, coördinator van de Onderzoekseenheid geschiedenis van kerk en theologie aan de KUL, schreef in 1996 een wetenschappelijk overzichtsartikel in het tijdschrift Trajecta. Maar ook zijn vaststelling vandaag is: “het is pover gesteld met onze kennis over de missies”.

We hebben er vaak om gevraagd, maar de middelen waren er niet

Ook KADOC, het documentatie- en onderzoekscentrum voor religie, cultuur en samenleving, dat grote stukken archief van het kerkelijk landschap in bewaring neemt, bevestigt dat er heel weinig wetenschappelijke geschiedschrijving bestaat. In de jaren “90 werd verschillende malen de vraag gesteld voor een doctoraat over de materie, maar “er waren geen middelen voor”, luidt het. Waarom? Dat is gissen.

Ongekende geschiedenis is een probleem: het kan en zal misbruikt worden

Dat merk je nu reeds. In het hele debat over (de)kolonisering grijpen individuen en groepen naar de missionarissen om hun punt te maken. Ongekende geschiedenis is namelijk ideaal voedsel voor romantisering en demonisering, de twee uitersten. En gezien we in een gepolariseerd landschap verkeren is dit een probleem.

De waarheid ligt echter in het midden: de Kerk heeft fouten gemaakt en missionarissen hebben iets nagelaten. Welke fouten? Wat nagelaten? Om een eerlijk oordeel te vellen heb je dus onderzoek nodig, en dat is er nooit geweest. Interviews afnemen bij missionarissen en duiken in de archieven van één congregatie is onvoldoende. Een algemeen historisch onderzoek vraagt dat alle actoren en de beleidskeuzes achter de inzet van missionarissen in kaart gebracht worden.

Missionarissen waren geen puppets on a string, maar het is evengoed duidelijk dat er beleid was dat hun doen en laten mee heeft uitgestippeld. Anderzijds kunnen we vragen stellen bij het het ontbreken van historisch-wetenschappelijk onderzoek naar het missieverleden van ons land, meer dan ooit.

In 1961 waren er 10060 Belgische missionarissen

En zelfs dat getal is wellicht niet correct. Hoeveel het er in totaal zijn en zijn geweest? Vraagteken. Volgens de laatste tellingen eind 2018 waren er nog 298 missionarissen actief.

Waarom waren ze daar?

Wat is dààr? Tot de jaren ’40 waren de Belgische missionarissen zeer gespreid aanwezig: van Indië tot de V.S., van Canada tot Afrikaanse landen, Australië, noem maar op. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd vooral ingezet op gekoloniseerde landen. In 1959 was ongeveer de helft van hen actief in Congo.

Hoe werden ze georganiseerd?

Dat waren meestal religieuze congregaties zoals Scheut (CICM) en de Witte Paters, maar dit geldt voornamelijk voor de gekoloniseerde landen. Daarnaast waren er tientallen kleine en middelgrote congregaties die mensen stuurden. Tot bij de dodencellen in de V.S., de inheemse volkeren van Ecuador, de Kree-indianen in Wabaska (Canada). Tot pater Damiaan in Hawaï.

In de latere periode werden ook priesters uitgestuurd, de zogenaamde Fidei Donum. Sommigen werden bisschop.

Wat deden ze daar?

Dat weten we dus wel. Voldoende getuigenissen werden afgenomen. Maar waarom zijn we tevreden met getuigenissen? Wetenschappelijk, historisch onderzoek vereist veel meer dan dit.

Waarom werden ze gestuurd?

Ja, dan komen we bij de verantwoordelijken. De bisschoppen, Rome, de congregaties zelf. Tientallen meters archieven liggen onaangeroerd te wachten om ontsloten te worden. Sommige archieven kunnen nog niet ontsloten worden, zeker als het om persoonlijke archiefstukken gaat. Daarom kun je hieruit het beste en het slechtste vermoeden. En dat is intellectueel gezien simpelweg verkeerd. Nogmaals: romantisering en demonisering loeren om de hoek.

De vragen die blijven en telkens oprispen

Waarom hebben onze kerkelijke leiders zo sterk aangedrongen op het belang van de missies? Waarom gingen de jongeren in op die vraag? Welk beleid heeft Rome, en meer bepaald de “Congregatie van de Propaganda Fide” en “de Congregatie van de Religieuzen” daarbij uitgestippeld? Wat werd beslist binnen de bisschoppenconferenties? De lezer kan enkele antwoorden verzinnen, maar wie ontdekt sporen van waarheid? En ten slotte: hoe hebben de mensen ter plaatse onze missionarissen beleefd? Hoe verschillend was die beleving in de gekoloniseerde landen?

Zijn we tevreden met wat we weten?

Dat kan. Er blind van uitgaan dat missionarissen enkel vertrokken om mensen te helpen, te bekeren of te domineren? Uit de talloze briefwisselingen die wèl reeds ontsloten zijn lezen we ook andere zaken. Zo leren we dat vele missionarissen die tot begin de jaren ’60 vertrokken laag opgeleid waren en verlangden naar kansen. Zo leren we dat ook familiezaken een rol konden spelen. Zo leren we dat ze soms geduwd werden in die richting maar het eigenlijk niet wilden. Zo leren we dat ze zich soms bedrogen voelden. Zo leren we dat ze het louter deden uit zelfopoffering. Zo leren we dat ze het deden voor het avontuur. Zo leren we dat de congregaties die keuze bemoedigden, simpelweg om nieuwe roepingen te genereren. Mensen helpen, bekeren en soms domineren: dat weten we. Maar verder geraken we niet.

Michel Coppin, afscheidnemend directeur van Missio liet daarom graag optekenen dat hij het van groot belang zou vinden studie en onderzoek te laten verrichten naar het missieverleden, om op die manier te komen tot een genuanceerd en zo volledig mogelijk beeld over dit ongekend en daarom onbegrepen deel van onze geschiedenis.

Maar zijn we daar klaar voor?

Wellicht niet. De Belgische samenleving heeft teveel recente verwantschap met zijn missionarissen. En het is ook maar de vraag in hoeverre de Kerk zelf belangstelling heeft. We moeten dit begrijpen. Anderzijds kunnen we het ontbreken van historisch-wetenschappelijk onderzoek naar het missieverleden van ons land, meer dan ooit, in vraag stellen.

Thomas Holvoet

Dit is deel 1 van een reeks artikels over het missieverleden van België. Lees hier het aankondigingsbericht over deze reeks.

Beeld: “Face blindness” – Ryan Tippery