Thomas Merton: “Hymne met niet veel lof voor New York City”

Wanneer de vensters van de West Sidewijk kletteren als cimbalen in het ondergaande zonlicht,
en wanneer de wind weeklaagt midden de antennes van East Side
en wanneer zowel ten noorden als ten zuiden van 34th Street
in al de duizelige gebouwen
liften hun tanden laten klapperen en de tralies van hun kooien laten rammelen.
Dan verlaten de kinderen van de grootstad
hun apenhuizen van kantoorgebouwen en appartementen,
en openen zij met de grootste moeite hun monden, en zingen:


‘Koningin tussen de steden van de aarde: New York!
Rijk als gebak, ordinair als een doughnut,
duur als bont en gek as cocaïne,
we horen je graag schudden (en beven),
je grote gezicht als een schitterende bank
die de gekke wereld te kennen geeft dat je vol centen steekt!
Dit is de avond om maraca’s uit al dat metaalgeld te maken.
Parijs is in de gevangenis, en Londen sterft aan kanker.
Het ogenblik is voor jou aangebroken om te dansen en te zwieren,
Koningin van onze opgeklopte vreugde.
En laat de geestdrift van jouw wat krakkemikkige conga’s
de walsen overtreffen van schitterender
hoofdsteden die zijn gebombardeerd.
Intussen zullen wij, jouw kinderen,
die wenen in onze zeezieke vensterzoo terwijl jij danst,
aspirines verzwelgen
en proberen te beletten dat onze kooi inkalft.
Die hele tijd zullen onze geesten vollopen van die smeekbeden,
En rustig bloeien tussen onze hartslaggongen.
Die zullen dienst moeten doen als gebeden:
‘O, sluit ons toch op in de veilige gevangenissen van uwe films!
Sluit ons op in de halfopen afdelingen en witte gestichten
Van de ondraaglijke cocktailparty’s, o New York!
Veroordeel ons tot levenslang en verwijs ons naar de strafkolonies van uwe bars en nachtclubs
en laat ons voor altijd verbijsterd blijven door de blauwe, objectieve lichten
die de bleke infirmerieën van uwe restaurants vullen,
en de ziekenhuizen van uwe scholen en kantoren,
en de operatiezalen van uwe danszalen.
Maar geef ons nooit enige uitleg, zelfs als we die vragen,
Over waarom al ons voedsel naar jodoform smaakt,
en zelfs de meest verse bloemen geuren naar begrafenissen.
Nee, laat ons nooit lang genoeg rondkijken om ons af te vragen
wie van de rijke mensen, die rillen in hun al te warm gestookte kantoren
en wie van de arme mensen, die met hun gezicht naar onder op The Daily Mirror slapen,
nog in leven zijn, en wie dood.’

Thomas Merton (1915-1968) – Vertaling: Dirk Doms

Thomas Feverel Merton was een belangrijk Amerikaans katholiek theoloog, dichter, auteur en sociaal activist. Hij was trappist en monnik in de Abbey of Our Lady of Gethsemani bij Bardstown in Kentucky. Als voorstander van de oecumene trad hij in dialoog met vooraanstaande vertegenwoordigers van andere religies.

Beeld: Thomas Merton