Arbeid is zin-loos

Het is bijna een dogma geworden: “je identiteit ontleen je voor een groot stuk aan de job die je uitoefent”. Maar niks mis minder waar. Sterker: het is een leugen waaraan vele mensen te lijden hebben. Want wie niet mee stapt in deze logica is een vogel voor de kat. En dat maken onze overheden en bedrijven steeds meer duidelijk. Dit terwijl de bestaansgrond van het leven voor het grootste stuk ontleend wordt aan menselijke relaties en een eventuele openheid voor het transcendente. Een reflectie over de positie van betaalde arbeid dringt zich op.

Betaalde arbeid geeft soms betekenis aan het leven

Een betaalde job kàn in het beste geval betekenis geven aan het leven van een mens. Je hebt een bepaalde focus, je probeert een taak op goede wijze te vervullen en in ruil krijg je een loon om het leven menswaardig te kunnen leven. Dat klinkt vrij nuchter, maar in wezen is betaalde arbeid altijd een ruilhandel geweest tussen geschonken tijd door het individu en geld als wederdienst. Voor velen onder ons valt er te kiezen. Maar voor velen helemaal niet. Voor hen is het aanvaarden van éénder welke job simpelweg een must, omdat er nu eenmaal brood op de plank moet. Jobsatisfactie is in vele gevallen quasi nihil.

Aan arbeid “zin” ontlenen is een fabeltje

Zin aan je bestaan geven door arbeid is een ander paar mouwen. Zingeving gaat over je bestaansgrond, en over de grote vragen rond het “waarom van het leven”. De invulling daarvan hangt in hoge mate af van een innerlijke worsteling die begint rond je achtste levensjaar (het zogenaamde “wakker worden”). Al is dit ook geen vaststaand gegeven. De “waarom-vraag” is beslissend en geeft verder de richting die je uitgaat. Vanuit die invulling wordt gekozen voor bepaalde (levens-)engagementen.

De waarom-vraag kan mee gevoed worden door een zekere openheid voor het transcendente, wel of niet religieus ingekleurd, maar evengoed door intrinsieke motivaties die vaak ongrijpbaar zijn (je ziet dit bij kunstenaars of kluizenaars), maar de zin-geving en identiteit van het individu kneden en vormen.

Zingeving ontluikt reeds in de moederschoot. Nee, zelfs daarvoor al.

Zingeving is een uitloper van een identiteitsvorming. En een identiteit is altijd – tot in zeer hoge mate – een construct van je levensloop, je ervaringen, je familiegeschiedenis en de context waarbinnen deze ontwikkeld wordt.

Een identiteit is nooit af, maar op een bepaald moment wordt de bestaansreden van die identiteit in vraag gesteld (meestal) door het individu, soms door de nabije context. Dat kan echter enkel binnen een context van voldoende vrijheid en voldoende persoonlijke ruimte. Zonder die twee voorwaarden is het erg moeilijk voor een individu om te exploreren, te ontdekken, te aanvaarden en te kiezen.

Arbeid is een middel, en geen doel, laat staan een geschenk.

Arbeid geeft ordening aan de dag, en aan het – steeds meer – geïndividualiseerde bestaan. En zelfs die ordening is op vandaag een hyper-flexibele variant geworden. Het geeft betekenis aan de dag en het geeft je – via de omgeving en ruimere samenleving – credits om opgenomen te worden in een collectief verhaal. Om, zoals de volksmond het graag uitdrukt erbij te kunnen horen. Maar heeft en geeft arbeid zin?

Het belang van betaalde arbeid neemt teveel ruimte in.

De collectieve norm neemt téveel ruimte in op de bestaansreden van de mens. Door een, steeds toenemend, kleinere ruimte aan rust en vrijheid ontstaat een soort dwangneurose bij het individu om het collectieve te absorberen, uit te dragen als dé norm, en uiteindelijk op te leggen aan anderen als een noodzakelijk instrument om het leven te overleven.

Die dwangneurose ontstaat net omdat er geen tijd meer is voor eigen reflectie, én omdat het collectieve verhaal de creatieve invulling ervan steeds sterker vernauwt en zelfs actief bestrijdt: via de familie, de vrienden, de overheden, maar ook vanuit de eigen worsteling. Nadenken wordt gedoogd, maar de bewegingsruimte om daadwerkelijk anders te handelen, te leven, te bestaan is zeer klein geworden.

Twijfelen lijkt hoe langer hoe minder toegestaan: je stapt in een vastgelegd maatschappijmodel, of je draagt de gevolgen. Iemand schreef onlangs “Je krijgt de Vlaming wel uit de kerk, maar de kerk uit de Vlaming krijgen is een ander verhaal”. En daarmee verwees de auteur naar de voorbije machtsdominantie van het instituut die het individu het zwijgen oplegde. Het lijkt soms alsof we collectief hunkeren naar de oude machtsdominantie van een cultuur die ons in de pas doet lopen, al zijn we ons daar totaal niet bewust van.

Wel varen (welvaart) staat op ongelijke voet met de bestaansreden van het individu

Elke generatie wil uiteraard hebben dat de volgende het beter heeft. Maar je kunt deze reflectie onmogelijk toepassen op het dogma van de arbeid. Wel varen – of anders gezegd – goed leven is veel vaker afhankelijk van menselijke relaties. En die staan momenteel enorm onder druk.

De technologisering, de zich terugtrekkende mens, de desintegratie van het maatschappelijk weefsel, het wegvallen van de grote (religieuze) verhalen en de markdoctrine van een ziekmakend arbeidsconcept doet heel veel mensen de das om. De komst van Covid-19 deed en doet dromen van een andere wereld. Die andere wereld moet er ook komen. Maar ik voorspelde reeds aan het begin van deze zomer dat het oude model – voor het neervalt – een nog hardere koers zal varen om toch maar te kunnen overleven. We lezen het regeerakkoord, en je ziet inderdaad die reflex: nog harder werken, met nog meer mensen, nog flexibeler (met ietwat meer curatieve instrumenten om symptomen te bestrijding of mensen zo snel mogelijk terug in te passen).

Een illusie. Die verandering komt er toch.

Ik ben scepticus ten aanzien van een nieuwbakken maatschappijmodel, want daar komt steeds utopisch denken aan te pas. En utopisch denken laat al evenmin rust en vrijheid toe. We moeten dus kiezen voor een transitie. Hèt modewoord, ik weet het. Maar ik hou meer van een zachte landing dan een parachutesprong.

Sceptisch maar ook hoopvol, want ik ben er wel degelijk van overtuigd dat dit model op z’n laatste poten waggelt. Anders gezegd: we houden dit niet vol, en die these wordt gevoed door een steeds grotere groep van uitvallers. De statistieken vanuit de zorg spreken boekdelen: meer zieken, meer onzichtbaren, meer uitvallers, zonder meer.

Echte transitie kan enkel wanneer het oude model zichzelf in vraag stelt

Maar dat doet het niet. De verschillende overheden streven naar een tewerkstellingsgraad van 80%. Dàt in een samenleving waar mantelzorg voor een groter wordende groep oudere mensen, en het opvoeden van kinderen (in een samenleving met dalende nataliteit) onze grootste focus zou moeten zijn. En dan zwijg ik nog over het recht doen aan de vele zieken, met of zonder beperking, die willens nillens niet (meer) mee kunnen in het maatschappelijke verhaal. Deze samenleving wordt gedragen op handen van meer dan 1 miljoen vrijwilligers, maar deze capaciteit werd nooit gehonoreerd, en nu verder uitgehold. Wat zullen de gevolgen zijn?

Ik leg het concreet uit aan de hand van een voorbeeld uit een boek van Eddy Van Tilt “Is de achterdeur op slot”: “Vroeger nam de buurvrouw elke dag een broodje mee voor de wat sukkelende oude heer, vandaag komt de sociale dienst één maal per week langs met 3 diepvriesbroden en maaltijden uit de koude lijn.”

Stellen dat “arbeid een deel van je identiteit is”, is – via een omweg – de boodschap geven aan niet-productieve mensen dat het leven identiteitsloos, en dus zinloos is. Een sterk te verwerpen gedachte dat teruggaat tot het darwinisme, graag ontleend door het fascisme waarbij – uit medelijden met de niet-productieven – mensen euthanasie toegediend kregen.

Het is wel zo dat menselijke relaties binnen een arbeidsomgeving, en het netwerk dat hieruit kan voortvloeien zin kan geven. Maar het is absoluut niet zo dat een betaalde job an sich dit garandeert. Ik zou zelfs zeggen: heel vaak niet, rekening houdend met de robotisering, steeds meer efficiëntie-oefeningen, het digitaliseren van de werkvloer etc…

Samengevat: het zijn de menselijke relaties en een eventuele openheid voor transcendentie die veelal de bestaansgrond vormen van het individu, en bij uitbreiding: de volledige samenleving. Laten we dit goed in oren knopen. Arbeid op zich is zin-loos, verdient een volwaardige plaats in het menselijke gebeuren maar moet ook gerelativeerd worden als één van de instrumenten om het leven vorm te geven.

Thomas Holvoet