Nacht

De nacht is een vreemd ding.

Ik bedoel niet de nacht zoals we die meestal kennen: vol cafégeroes en etalages en straten zo klaar als overdag, of huiskamerlampen en flikkerende tv-beelden. Ik bedoel dat donkere lichaam dat daar ligt, onaanraakbaar, en toch zo duidelijk aanwezig. Die zwarte pels, die soms kan glanzen, zijdezwart. En die soms van een oud grijs is, als de maan schijnt. Het bijna ademen van dat grote lichaam, als je stil blijft luisteren en kijken. Het lijkt wel een groot dier dat daar rust, met een eigen bewustzijn. Zo groot, dat het voor ons kleine mensen wel moet rusten, anders zou het angst aanjagen. Voorouderlijke angst.

Maar nu doet het wat alle moeders en vaders doen: toedekken, zeggen dat het goed is, slaap maar. “’s Nachts rusten meest de dieren,” schrijft Bredero, “ook mensen goed en kwaad, / en mijn lief goedertieren, / is in een stille staat.” Die stille staat, dat is het vreemde aan de nacht: dat alles stil is, weggeborgen, een wereld in doeken gewikkeld en zich overgevend aan iets veel en veel groters, zonder dood te gaan.

Maar als de overgave niet lukt, als het jankt in dat duister, dan snijdt het dubbel hard. Dan is het woelen en rondjes draaien en dwalen, in bed, in eigen hoofd, in de straten zoals Bredero in dat beroemde gedicht van hem. Roos Blufpand heeft haar naam niet mee, maar hoe sterk zingt ze dit sonnet. Het lijkt of ze het volkomen begrepen heeft, die jonge meid. Let even op de kwaadheid in de voorlaatste strofe. En de genegenheid die toch stil terugkomt, in de laatste strofe. Zich overgevend, ondanks alles, toch.

Guido Vanhercke