De wilde weldoener

Ik las onlangs over een wilde weldoener. Het had een Van der Steen-titel kunnen zijn, dacht ik, maar nee, het is er een! Mooi, door dat stafrijm, versterkt door binnenrijm, wil/wel. Maar natuurlijk: wild? Of is die mild? Of gul? Of genereus? Hoe dan ook: food for thought, inspiratie voor gedachten over gulheid en aanverwanten…

Wild? U bedoelt: MILD, toch?

Natuurlijk was eerder te verwachten dat die weldoener mild was. Al op het einde van de dertiende eeuw is er in het Middelnederlands al ergens sprake over “[geen] vrek, …maar milde”. Duidelijk in verband met geld en bezittingen, maar volgens EtyB heeft het woord een brede betekenis: ook zachtaardig, onbekrompen. In het Duits ook barmhartig, vriendelijk.

Die zacht(aardig)heid lijkt de essentie te vormen: de mel-wortel in het Indo-Europees had alles met zachtheid te maken, zo lijkt. Als ijs s-mel-t bijvoorbeeld, dan wordt het zacht. Of denk aan mollusken, of dus weekdieren: ze hebben een schelp, omdat ze zo zacht zijn. Misschien is het daarom dat verrot hout ver-molm-d is. Dat is dan minder gezellig…

GUL – of GULzig, als de meeuwen?

Gulheid wordt al eens geassocieerd met koningen, hoewel een royale gift vooral groot is, “ruim” misschien… Het woord ‘gul’ heeft vanuit zijn wortel niks met onze gulheid te maken. Gulle boter was ooit pure boter. Hout kon “gul en welig” heten omdat het in overdaad groeide, zoals ook gulle stromen “snelvlietend” waren. Gul metaal was gewoon vloeibaar… Pas op het einde van de zeventiende eeuw werden mensen gul, in de zin van “openhartig, goedaardig” en een eeuw later ook als vrijgevig, hartelijk. Iets als mensen die vlot geven (EtyB).

If the reward for giving water to a dog is Jannah, then how about teaching  Tawheed to the people? – Madeenah.com

Stromen lijkt wel aantrekkelijk als basislink. Gulle mensen vertonen geen kramp, kunnen het geld als het ware laten lopen. Dat een en ander los aan elkaar zou hangen, lijkt semantisch-etymologisch wel beter te verdedigen, lezen we. Mogelijk kun je dat toch weer met het stromen verbinden: water is mysterieus, vloeit in zachtheid, los aaneen.

Maar wie weet heeft het op een of andere manier ook met gulzigheid te maken. Die gluttony zou met de gulla of keel te maken hebben: iemand die alles inslikt (gluttire). Zou dat de reden zijn waarom meeuwen, bekend als slokoppen, in het Engels gulls zijn geworden? Een woord als gulp tot slot zou us oorspronkelijk in beide richtingen kunnen wijzen: naar buiten stromen zoals een gulpende wonde of gulzig inslikken, zoals in het Engels: gulp down.

Maar genereus dan?

‘Genereus’ had met je afkomst te maken: met je genus, je geslacht, vooral je adellijk geslacht. Mensen van adel heetten al in het Latijn generosus, wat figuurlijk kon betekenen: gul, met een grote ziel of gemoed (magn-anim-ous, grootmoedig) of met een groot hart bij ons…

steun ons – amfora vzw

Lekker wild

Milde weldoeners deden en doen goed (of ‘wel’), vrijwillig, met geld, denk ik: bene-factors letterlijk. Nu kennen wij vooral sponsors (eigenlijk alleen iemand die borg of garant stond, zoals ooit een peter of meter) en soms nog eens mecenassen (genaamd naar Gaius Clinius Maecenas, die de dichters Horatius en Vergilius steunde). Vooral de eersten geven “bereken(en)d”, denk ik: ze denken uiteindelijk vaak eerst aan eigen voordeel, lijkt mij.

Daarom heb ik eigenlijk liever wilde weldoeners. Zij geven immers zonder na te denken, zomaar, in het rond. In tijden waarin alles zo berekend en beregeld wordt, hou ik steeds meer van wildgroei en lekker wildbreien (publieke objecten be-breien als activisme), wel wat minder van wildplassen, en zeker niet echt van wildroken. Maar enige wildheid heeft al altijd ietwat romantische zielen gecharmeerd…

Jan Glorieux

*EtyB: etymologiebank.nl/ EtyO: etymonline.com

Meer van Jan Glorieux lees je op deze pagina