Lachen in Boeddhisme en Islam

Wie een gelovige met gevoel voor humor ontmoet, is vaak geneigd te denken dat deze dat ondanks zijn geloof heeft weten te behouden en niet dankzij zijn geloof. Echt logisch is dat op het eerste gezicht niet. Humor en geloof hebben namelijk veel gemeen. Een mens heeft humor van doen om de scherpe kantjes van het leven te overstijgen en in een breder perspectief te zien. Als je een gelukkig leven wil zal dat nooit lukken zonder humor. Want die zet de dingen op zijn kop en toont vaak de enige resterende uitweg om boven de crue werkelijkheid toch nog perspectief en dus toekomst te zien. Denk maar aan de humor die in concentratiekampen ontstond. Ronald Sledsens neemt ons mee in de wondere wereld van de lach.

Godsdiensten willen toch eigenlijk ook niets anders. Ook zij zetten de dingen voortdurend op hun kop om te laten zien dat ze anders zijn dan ze lijken. En ook zij willen de mens het geluk en een perspectief op toekomst bieden. Daarom blijft het merkwaardig dat we zoveel moeite moeten doen om humor en geloof samen te denken. Op zichzelf natuurlijk al een reden tot lachen, want incongruentie, juist het niet samengaan der dingen, genereert nog de meeste humor. Maar hoe dan ook lijkt het samengaan van humor en religie in vrijwel alle godsdiensten geen evidente zaak. Hoe dat komt vraagt om een diepere kijk.

Boeddhisme en wetenschap - wat wij ons inbeelden dat werkelijk is, is  onwerkelijk - Boeddhistisch Dagblad

Volgens Vassilis Saroglou, hoogleraar godsdienstpsychologie aan de UCL, zijn er wel meerdere redenen te bedenken voor het slechte huwelijk van humor en godsdienst. Humor heeft te veel facetten die ontsnappen aan de controle en controleverlies maakt religieuze systemen bang. Hoe geslotener het systeem, hoe banger. Dat geldt vooral voor religieuze fundamentalisten die voortdurend zekerheid met stelligheid verwarren en die er niet om lachen kunnen wanneer je hen op de absurditeit van bepaalde passages in heilige boeken wijst wanneer je ze letterlijk zou nemen.

Maar ook meer algemeen zijn religieuze tradities niet tuk op lachen. De laatste jaren wordt de markt overspoeld met Jezusbeelden die Jezus laten zien als pacifist, advocaat van de armen, heiland voor andersdenkenden, volslagen idioot of hoerenloper en tegenwoordig lijkt vooral de vraag interessant of hij veel gelachen heeft. Een positief antwoord erop geldt bijna als een soort ultieme legitimatie voor een nog aanvaardbaar christen zijn. Uiteraard heeft Jezus gelachen want geen mens wordt 33 zonder dat ooit te doen, maar misschien is de vraag of Jezus gelachen heeft minder interessant dan de vraag waarom men 2000 jaar lang beweerd heeft dat hij het niet deed.

Jesus Smiling

Afgezien van het optimisme dat godsdiensten en humor gemeen hebben, zijn er veel meer dingen die hen scheiden. De voedingsbodem voor humor is het leven met al zijn incongruentie, dubbelzinnigheid en contradicties. Het komische is er de viering van. Humor laat altijd de mogelijkheid van non-sens open, van eventuele zinloosheid van het bestaan. En dat is natuurlijk niet naar de zin van systemen die zich bij uitstek bezighouden met de zinsvraag en het formuleren van antwoorden erop. Religies willen onzekerheid zoveel mogelijk indijken, humor houdt de mogelijkheid van het andere zoveel mogelijk open. Humor veronderstelt ook altijd een zekere speelsheid.

De criteria die Piaget in zijn opvoedingssysteem voor het spel opsomde zijn ook van toepassing op de humor: humor is net als het spel doel op zich, ontstaat spontaan, is bedoeld om ervan te genieten, is nooit overgeorganiseerd, is vrij van conflicten en behoeft geen externe motivatie. Net als het spel, is de humor om niet, nutteloos als je wil en voortdurend zelfrelativerend. Maar erger nog – tenminste vanuit het perspectief van de religie gezien – legt de humor het rigide denken in termen van goed en kwaad even stil, en speelt zich met alle gemak af in een ethisch vacuüm. Dat wil niet zeggen dat humor zichzelf geen grenzen oplegt, maar doorgaans is humoristische vrijheid blijheid.

Humor and free speech are ideals that Islam cherishes - Caribbean Muslims

De gratuïteit van zowel spel als humor veronderstelt bovendien geen engagement. Het blijft een vrijblijvend gebeuren, terwijl religies deze juist wel beogen. In de godsdienst is niets vrijblijvend omdat alles uiteindelijk staat in een eindtijdelijk perspectief voorbij de ernst van de dood. Omwille van die ernst, valt er nu al niet te lachen. Met het oog op later, moet de mens zich niet alleen lichamelijk maar ook psychisch voortdurend onder controle houden. Dat levert natuurlijk gekke situaties op zoals de vroeg-christelijke literatuur laat zien, waarin monniken over hun ongewilde nachtelijke dromen gewetensonderzoek moesten doen, want zelfs het ongewilde legt de morele verantwoordelijkheid niet stil. Onverschilligheid ter zake was dus niet gepast. Daarom veroordeelt Johannes Chrysostomos in de 5de eeuw ‘de lach’ ook als de moeder van de onverschilligheid.

De lachende Dalai Lama

Geen enkele religieuze leider lacht in het openbaar zo vaak en zo hard als de Dalai Lama. De vraag is of hij zoveel lacht omdat hij boeddhist is of gewoon omdat het in zijn aard zit. Westerlingen die op hun reizen zo’n 150 jaar geleden voor het eerst met het boeddhisme in aanraking kwamen bevestigden steevast dat een religie gebaseerd op de stelling dat alles lijden is, onmogelijk een vrolijke religie kon zijn. Arthur Schopenhauer was bijvoorbeeld enthousiast over het boeddhisme omdat hij in de teksten ervan zijn eigen pessimistische filosofie herkende. Hij zette een boeddhabeeld in zijn studeerkamer en noemde zichzelf en zijn volgelingen boeddhisten. Maar klopt dit beeld? Is het boeddhisme in essentie pessimistisch en heeft de Boeddha zelf gelachen? In de Pali Canon, de leer die 400 jaar na de dood van Boeddha op schrift werd gesteld valt daar alvast niks van te merken. Alleen latere teksten vermelden dat Boeddha in zijn verlangen naar Verlichting geglimlacht heeft.

Image tag: cambodia, image quantity: 421 | tag | Hippopx

Één van de vroegste Boeddhistische vraagstukken gaat over de kwestie of en hoe de Boeddha gelachen heeft en wat er de betekenis kon van zijn. De scholastieke traditie zag dat niet zo zitten, omdat de ernst van zijn opdracht dat niet veroorloofde. Men kwam eruit door te stellen dat de Boeddha alleen het eerste lachen uit zes stadia van de lach die in de Indische Bharata voorkomen heeft gedaan. Die zes zijn een leuk lijstje:

  1. sita, een vage glimlach, rustig, subtiel, en geraffineerd.
  2. hasita, een glimlach die lichtjes de uiteinden van de tanden ontbloot
  3. vihasita, een bredere glimlach gecombineerd met bescheiden gelach
  4. upahasita, een meer uitgesproken gelach verbonden aan een beweging van het hoofd, schouders en armen
  5. apahasita, luid gelach dat de ogen doet tranen
  6. atihasita, luid rollen van het lachen

Maar glimlachen is nog geen lachen. Net zoals er in andere wereldbeschouwingen aversie bestaat tegenover de lach, zo ook in het boeddhisme. Ook hier wordt lachen beschouwd als iets wat wezenlijk bij het lichaam behoort en dus met erotiek verbonden ligt. Als er in de Pali Canon al sprake is van de lach, dan wordt hij altijd in verband gebracht met het zinnelijke en het niet-verlichte. Daaruit blijkt duidelijk dat het vroege boeddhisme zijn wortels heeft in een ascetisch milieu van monniken. Maar in de verdere boeddhistische traditie ligt dat heel anders. Zo bijvoorbeeld in de Chan-traditie. In verhalen over Chan- of Zen-monniken valt steeds weer op hoe vaak ze lachen. Zijn ze soms anders dan hun stichters?

fzone-1.php | Stannous Flouride's Book of Truthiness

Wellicht heeft dat te maken met het feit dat in het Mahayana-boeddhsime waaruit Chan zich ontwikkeld heeft meer nadruk ligt op de onmiddellijke spirituele ervaring dan op de uiteindelijke Verlichting die meer als een metafysische speculatie wordt gezien. De meditatie is heel centraal maar paradoxaal genoeg ‘doelloos’. De verlichting kan volgens de Chan geen doel op zichzelf zijn. Verlichting is niet iets dat iemand kan afdwingen. Het overkomt je, of niet.

In die ‘toestand’ zijn alle tegenstellingen opgelost. Zelfverwerkelijking heeft plaatsgevonden. Er is spiritueel inzicht of gewaarwording van het leven zelf, maar geen tijd, noch zin of doel. Men kan niet het doel hebben doelloos te zijn. Daarom spreekt iedere zenmeester in paradoxen over het doel en zegt altijd met nadruk dat je niets moet willen. De meditatie schept wel voorwaarden. Indien de gehechtheid aan een doel bestaat zal het doel niet bereikt worden. De essentie is eigenlijk ‘ongehecht zijn’, en daarvoor is de meditatie in principe niet nodig. Maar hoe moeilijk het doel te halen ook is, de techniek is een zeer precies gegeven.

ISLAM AND HUMOUR – PART 1 – COMEDY SUBVERTS ISLAMOPHOBIA | The Bearded One

Daarmee is nog niet verklaard waarom de monniken zoveel lachen. Dat hangt voornamelijk met die techniek samen. De leerling ontvangt van zijn leermeester een probleem-vraag (koan) die hij onmogelijk rationeel kan oplossen. Door eindeloze concentratie op én uiteindelijk eenwording met zo’n vraag, krijgt de leerling dan een soort rationele kortsluiting en een aha-erlebnis op ‘existentieel’ niveau en ontsluit de absolute werkelijkheid van de zuivere Ervaring zich. Wanneer zoiets gebeurt lacht de leerling-monnik meestal heel hard. Maar ook de leermeester zal de vragen van zijn leerling vaak met alleen bulderlach beantwoorden. Want wat moet hij anders met een verstandige vraag die nog gevangen zit binnen al te rationele logica, wanneer het antwoord elders dient gezocht te worden.

Ironie, soms spot en volkomen onverwachte antwoorden zijn de weg waarlangs de meester aan zijn leerling probeert die dingen begrijpelijk te maken die intellectueel niet begrijpbaar zijn. Er bestaat ook een soort meditatief lopen, kinhin. De meester loopt voorop en slaat op een gong en achter hem lopen de andere monniken of ‘zenners’. Zelfspot is van groot belang, want ijdelheid of de illusie dat je iets bereikt hebt, ligt altijd op de loer. Een goede grap en relativeren is dan ook wel nodig bij dit keurslijf van regels. De lach is daarbij een praktisch spiritueel hulpmiddel want door de lach en vooral door de zelfspot slaagt de mens er pas in om de nodige afstand tot zichzelf te krijgen.

Kinhin: Slow Walking | Two Rivers Zen Community:
Kinhin

En juist dit verbreken van de relatie met het eigen ego was voor de Boeddha voorwaarde tot het vinden van het Heil. Voor het boeddhisme is het ego immers niet het echte zelf. Want door aan het ego te hechten, blijf je behoren tot de wereld van het vergankelijke en veranderlijke en zie je niet dat het onvergankelijke en onveranderbare al in jou is. Verlichting is daar de existentiële herkenning van. En als dat geen reden tot lachen mag genoemd worden: levenslang verlangt de mens naar iets wat hij altijd al had maar nog nooit in zichzelf gevonden heeft. Een ezel die door zijn berijder een raap aan een stok voor de ogen gehouden wordt is minder dom. Omdat de Dalai Lama dit schijnt te weten, lacht hij wellicht zo vaak.

Lachte de Profeet?

‘De’ islam bestaat niet. Er zijn zovele verschillende richtingen en scholen binnen de islam, dat je onmogelijk de vraag kan beantwoorden of er binnen de islam in het algemeen ruimte voor humor en lachen is. Ayatollah Khomeini5 vond alvast van niet: “Het doel van de Schepping is de mens door ontbering en gebed op de proef te stellen. Er is geen plaats voor grappen in de islam, geen ruimte voor humor. Er is geen pret in de islam. Er kan geen pret en vreugde zijn in wat ernstig is…” Binnen het bestek van dit artikel kunnen we onmogelijk ingaan op de verschillende accenten ten aanzien van humor binnen zowel het Sjiisme als het Soennisme.

Conservatieve richtingen binnen beide staan eerder achterdochtig tegenover humor in de godsdienst. Zij stellen dat het lachen de gelovige onwaardig is en dat hij Allah om vergeving moet vragen wanneer hij lacht door te bidden “Allahoma la tamqutni” (God, veracht mij niet). Zij betwisten de authenticiteit van de vele verwijzingen in de hadith naar een lachende Profeet. Wie lacht zou beter het Koranvers voor ogen houden: “Laten zij weinig lachen en veel wenen als vergelding voor hetgeen zij deden. ” (Koran, 9:82). De voor zowel Shiiten als Soennieten gezaghebbende imam en familielid van de Profeet Ja’fer al-Sadiq beweerde de Profeet te citeren die gezegd heft: “Veel gekscheren is onwaardig en al te veel lachen doodt het geloof”. (e.v.) In het algemeen is men de overtuiging toegedaan dat net zoals de Boeddha, de Profeet glimlachte maar nooit echt lachte.

Pin on Exploring colors of life

In de ‘mainstream’ islam ligt dat helemaal anders. Daar beroept men zich op de talrijke hadith die ruimschoots gewag maken van de Profeet die zich samen met zijn metgezellen vermaakt, uitbundig lacht en zelfs grapjes uithaalt. De islam is hier een optimistische godsdienst die niet wereldvreemd wil zijn. In de achtste eeuw maakt Ibn Hayan een onderscheid tussen toegestane grappen die geen zonde zijn en mensen of het geloof niet kwetsen en verboden grappen die vijandigheid of verdriet veroorzaken. Buitensporigheid is hoe dan ook nooit goed.

De koran omschrijft de gemeenschap van de moslims als een ‘ummat wasatan’, een gemeenschap van de middenweg die extremisme in ieder opzicht moet vermijden. Daarom is ook de humor aan een aantal spelregels onderworpen. Er mag niet gelogen worden, het taalgebruik moet fatsoenlijk zijn, er mag niet om alles gelachen worden en zeker niet met God, de Profeet of het geloof. “De huichelaars vrezen, dat een Soera tegen hen zou worden geopenbaard die hen zou onderrichten over hetgeen in hun hart is. Zeg (tot hen): “Spot maar, voorzeker, Allah zal al hetgeen gij vreest aan het licht brengen. En indien gij hen ondervraagt, zullen zij beslist zeggen: “Wij spraken slechts ijdellijk en vermaakten ons.” Zeg: “Was het over Allah en Zijn tekenen en Zijn boodschapper dat gij spotte?” (Koran 9: 64-65)

Sufi Jokes

Binnen het soefisme, een mystieke traditie die zijn oorsprong heeft in de vroege Islam, vormt humor net als in de Zen een pedagogisch middel om schijnzekerheden, onwetendheid en overdreven gestrengheid te doorprikken. Door de werken van Idries Shah is deze typisch soefistische insteek ook in het Westen bekend geraakt. Grote invloed, vooral in Turkije, hebben binnen de islam ook altijd de verhalen van de middeleeuwse geestelijke en filosoof Nasreddin Hodja gehad. Zijn verhalen doen denken aan de fratsen van personages als Tijl Uilenspiegel en Don Quichotte. Er komt wel spot, maar geen cynisme in voor. Ze zijn in diverse handschriftverzamelingen te vinden en zijn ook gecanoniseerd in de “officiële” literatuur.

Er wordt niet veel gelachen in godsdiensten

We hebben een keuze gemaakt voor twee levensbeschouwingen, de ene niet theïstisch, de andere heel theïstisch. Net zoals andere levensbeschouwingen staan ze eerder sceptisch tegenover humor en is de vrees nooit ver weg dat humor afleidt van de essentie, i.c. het geloof. Humor staat nu eenmaal open voor het nieuwe, kan makkelijk verlies van zelfcontrole met zich mee brengen, houdt zich moeilijk aan regels en onttrekt zich aan het gezag, doorbreekt de door godsdiensten hoog aangeslagen taboes op seksualiteit en agressie en is vaak een perfect middel om aan de geslotenheid van een systeem te ontsnappen. Geen reden tot lachen voor wie het tegenovergestelde beoogt.

Ronald Sledsens

Ronald Sledsens was inspecteur-adviseur bij de Vlaamse Gemeenschap, departement onderwijs. Aan het Hoger Instituut voor Godsdienstwetenschappen te Antwerpen doceerde hij ‘theologie van de niet-christelijke godsdiensten’. Tegenwoordig is hij R.K. deken van Antwerpen. Deze bijdrage verscheen eerder in TGL.