Vlucht vooruit Moslimexecutieve symboliseert de verwijdering tussen Religie en overheid

De moslimexecutieve ligt al een tijdje onder vuur na een rapport van de dienst Staatsveiligheid, waaruit zou blijken dat buitenlandse invloeden leiden tot een toename van extremistische ideeën in een moskee in Limburg. Pano bracht dit in beeld. Nu werpt Mehmet Üstün, de voorzitter van de executieve, terug dat hij het geld van de overheid helemaal niet meer wenst. De hele kwestie is symptomatisch voor de steeds toenemende verwijdering tussen samenleving en religie. De vraag is wie wint bij dit opbod en spierballengerol? Niemand, zo blijkt.

Bart Somers, Vlaams minister voor samenleven, heeft bijna het nieuw decreet over de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen op zak. Officieel gebeurt dit om nieuwe erkenningen van gebedshuizen opnieuw mogelijk te maken, wat sedert 2013 niet meer gebeurd is. Anderzijds beoogt het decreet buitenlandse invloeden en geldstromen te voorkomen of te traceren. En dan denkt iedereen uiteraard aan de islam, zo gaf ook Rik Torfs onlangs halfweg toe in De Afspraak. CD&V stond op de rem omdat ze wist dat de katholieke gemeenschap zich ook geviseerd voelde, door bepaalde voorwaarden in het decreet. Dus kwam er een aanpassing waardoor het decreet enkel geldt voor nieuwe gebedshuizen. Vreemd en logisch tegelijk. Meer daarover later in deze bijdrage.

Goede bedoelingen maar

Helaas schiet het decreet volledig door in het formuleren van voorwaarden om kans te maken op een erkenning. Zo moeten nieuwe gebedshuizen minstens 200 leden tellen en wordt er volledige transparantie gevraagd van de boekhouding tot de organisatorische structuur. Dit betekende dat nieuwe geloofsgroepen binnen de katholieke kerk bijna geen toegang zouden krijgen tot deze erkenning want 200 leden is voor veel christelijke gemeenschappen, op vandaag, onhaalbaar. Vandaar de aanpassing (die later toch nog uitgebreid kan worden, wie weet).

Maar er zijn ook andere voorwaarden te lezen die het maatschappelijke wantrouwen illustreren tussen geloofsgemeenschappen en het dominante discours binnen het politieke landschap, zoals stevige opvolging en de uitbouw van een controleorgaan. En dat discours is niet bepaald religie-vriendelijk. Elke kritiek op die politieke houding wordt ook defensief gecapteerd, want België is toch het land waar godsdienstvrijheid, door middel van de grondwet, gegarandeerd is? De omgekeerde kritiek wordt, als reactie, nu ook afgewimpeld. De moslimexecutieve hoeft het geld niet meer. Of het zo ver komt?

Wantrouwen in beide richtingen

Steeds meer voelen gelovigen, van welke religieuze denominatie ook, zich verdrongen naar de rand van de samenleving. Ze voelen zich niet meer gehoord, worden gebannen van de openbare omroep of het publieke speelveld en weten zich geviseerd door de media waar de visibiliteit uiterst beperkt is, tenzij binnen de schandaalsfeer. Het religieuze leven lijkt steeds meer gestigmatiseerd te worden, en er is is een vrij eenzijdige blik op het doen en laten van gelovigen. Zo menen althans leden van verschillende geloofsgemeenschappen. Ze voelen zich steeds meer als een ongewenste opposant van het dominante discours.

Die verwijdering begon reeds in de jaren ’60 van de vorige eeuw (en eigenlijk veel vroeger maar minder zichtbaar), en mondde uit in de vervaging van het religieuze weefsel, dat sociologisch gezien katholiek was in onze contreien, en een inkrimping ervan die voorlopig niet te stuiten blijkt. Ook binnen de islam is er secularisering en ontvoogding, maar dan op een specifieke manier en minder opgemerkt.

Die verwijdering komt er niet zomaar. Er is de secularisering en een maatschappelijke context die neo-liberaal genoemd wordt en de mens meritocratisch aanbeveelt: als maakbaar en autonoom. Een totaal ander mensbeeld staat op het voorplan. Een mensbeeld dat in grote mate diametraal staat tegenover de leerstelligheden van de meeste religies, althans bij deze van het boek (jodendom, christendom, islam).

Kardinaal De Kesel verwijst in zijn meest recente boek naar de noodzaak om seculariteit te omarmen, maar niet te vervallen in secular-isme.

File:The Belgian Constitution-Leopold I.JPG - Wikimedia Commons

Maar het wantrouwen komt ook voort uit andere ervaringen, met name het mateloos en afschuwwekkende machtsmisbruik uit het verleden (en heden) dat we kennen vanuit katholieke gelederen, en de opkomst van de meer politiek gerichte islam en terroristische aanslagen. Er leeft bij het publiek een genoeg-gevoel, en dat gevoel mag niet miskend worden.

Er is – zeker waar – nog openheid voor spiritualiteit, maar het institutionele karakter ervan wordt steeds meer verworpen, ook door gelovigen zelf. Abram De Swaan , socioloog, omschreef in zijn boek “Tegen de vrouwen”, dat vrouwen en kinderen meestal de grootste slachtoffers zijn van religieuze institutionalisering. Ik durf het te beamen maar ook te corrigeren.

Na het verschijnen van het rapport Sauvé in Frankrijk, begin oktober, blijken 80% van de jonge slachtoffers mannelijk te zijn. Het daarbij komende sadisme, dat gedetailleerd beschreven staat, valt moeilijk te bevatten en moet gecategoriseerd worden als systemisch-gevaarlijk voor de mens. Wie daaraan twijfelt mag de honderd getuigenissen lezen uit het boek van Rik Devillé: “In naam van de Vader”. Het boek verkoopt niet, en dat zegt veel over de desinteresse van diezelfde geloofsgemeenschappen en de samenleving an sich. Wegkijken van de eigen schaduwzijdes is inderdaad de gemakkelijkste optie, maar het installeert een mogelijke herhaling van de feiten. Dat zei Freud reeds.

5 Ways to Recognize Religious Abuse

Maar de oplossing ligt niet in dreigen en achterkamerpolitiek

Dat de Vlaamse Overheid een nieuwe aanpak wenst is legitiem, maar als ze dit doet zonder een zeer brede consultatie bij de (leden van de) geloofsgemeenschappen zal ze van een zeer koude kermis terugkomen. Beslissingen nemen met leiders van de religieuze gemeenschappen komt bij vele, gewone gelovigen over als een ontkenning van hun bestaansrecht en als paternalisme. “Je krijgt er een gevoel van onmacht bij, als ik die politici zo bezig hoor“, zo zegt een gelovige.

Maar ook de religieuze leiders zelf voelen zich niet beluisterd en zelfs miskend. De covid-maatregelen ten aanzien van geloofsgemeenschappen werden, deels, als overdreven ervaren. Minstens was er sprake van een disproportionele behandeling in vergelijking met andere maatschappelijke domeinen, die minder harde maatregelen werden opgelegd. Dit voelt aan als onrechtvaardig en discriminerend. Met als gevolg dat het vertrouwen wellicht gedaald is. Sommigen zijn ronduit woedend en voelen zich monddood gemaakt. Zeker binnen de christelijke kerken leeft dit gevoel zeer sterk. Vanuit dat gevoel is er sprake van een toenemend gevaar tot radicalisering binnen de christelijke kerken.

Legitimatie en representatie

Anderzijds kun je van een overheid niet verwachten dat ze de volledige samenleving consulteert. En dan komen we bij de problematiek van de representatie en het legitieme karakter van beslissende organen, zoals een moslimsexecutieve, een joodse raad of een bisschoppenconferentie.

De realiteit is dat veel gelovigen zich helemaal niet vertegenwoordigd voelen door bestuurders die door overheden uitgekozen worden voor dialoog en bijsturing. Het laat hen kouder met de dag. Het feit alleen al dat een overheid “in gesprek gaat met” impliceert voor een groot stuk dat ze er naast staat, en niet mee samenvalt. De scheiding tussen kerk en staat wordt daarmee gewaarborgd – goed zo – maar ze impliceert daarmee zeker niet dat er een goede verstandhouding bestaat waarbij gelovigen zich gewaardeerd voelen als een betekenisvolle presentie in de samenleving.

Dit blijkt nu ook uit het tot stand komen van het decreet. Dat de reeds bestaande gebedshuizen niet vallen onder het nieuwe decreet raakt in de feiten aan het gelijkheidsbeginsel. Een gelovige kan bij de Raad van State dit nieuwe decreet in vraag laten stellen.

Puntje bij paaltje: overheid en geloofsgemeenschappen vertrouwen elkaar minder dan vroeger, en de geloofsgemeenschappen voelen zich niet erkend als een betekenisvolle partner binnen de samenleving. Het is een wegdrijven van elkaar en steeds luider roepen, tot niemand elkaar nog begrijpt.

Wat wel helpt

Eerst en vooral is het aan de overheid om zich te bekwamen in religie-wijsheid. Ze geeft blijk van een tekort aan kennis en contact met verwijderde entiteiten, gecombineerd met een totale desinteresse. Vanuit een meer betrokken houding zou ze beter kunnen oordelen op welke wijze ze waarde kan en wil hechten aan de religies, en op welke wijze ze dit kan uitrollen in dialoog met de gelovige burger en de religieuze leiders.

Het volk dat schreeuwt om religies af te schaffen verslikt zich in legitieme maar gevaarlijke wensdromen. Je lost niks op door iets af te schaffen waar een menselijke nood bestaat. Velen begrijpen niet dat het bloed toch kruipt waar het niet gaan kan. Het communisme – bijvoorbeeld – heeft in zijn meest gewelddadige periodes getoond tot wat dit kan leiden. Religie verbieden, wantrouwen of uitsluiten is een les uit het verleden die velen maar niet gehoord willen hebben. Beter is de vraag: “hoe kan het anders?”

Vanuit de andere hoek is er ook werk aan de winkel. Religies die geld van de overheid ontvangen, en dus geld van de (gelovige of ongelovige) burger, moeten de evidentie omarmen van een overheid die als goede huismoeder waakt over de te besteden middelen en tegelijk de veiligheid van alle burgers moet bewaken. Meer bepaald over het operationele stuk van haar werking moet ze een zekere verantwoording kunnen afleggen, met de nodige transparantie. Wat niet betekent dat het aan een overheid is om te bepalen hoe een geloofsgemeenschap gestructureerd moet worden. Daar moet ze buiten blijven, zolang de grondwet zelf niet in het gedrang komt. Sommigen menen dat dit wel het geval is.

Wat de inhoud van haar boodschap betreft zijn er ook grenzen. Ook hier botst de scheiding geloof en staat op uitdagingen. Geld ontvangen van een overheid, maar binnen de gemeenschap groepen uitsluiten van volledige deelname en leiding, of groepen viseren omdat ze – in gedrag en taal – niet voldoen aan religieuze constructies of voorschriften (al dan niet theologisch), is niet langer verenigbaar met de maatschappelijke richting, gestut door vele kwetsuren bij vele burgers. Velen willen halfslachtige excuses of academisch-theologische verklaringen van religies, op die punten, niet langer aanvaarden of aanhoren. Dat is de realiteit. De boodschap van de meeste burgers is: “maak er werk van.”

Geloofsgemeenschappen moeten proberen te begrijpen dat de perceptie en de beleving in de samenleving deze is dat geloofsgemeenschappen groepen uitsluiten. En laat net dat het stokpaardje zijn van het liberale discours, en dus van Bart Somers die streeft naar inclusie. Sterker: haast alle partijen gaan hierin mee. De nodige lobbygroepen doen de rest van het werk, maar het punt blijft dat het een heet hangijzer is dat niet langer uit te leggen valt door de traditionele geloofsgemeenschappen. “Homoseksuelen horen erbij, maar ze mogen geen seksuele betrekkingen hebben” klinkt in de oren van een niet-gelovige als “ze mogen zichzelf niet zijn en daarom horen ze er bij jullie helemaal niet bij. Jullie discrimineren en theologische duidingen interesseren deze samenleving niet en allerminst homoseksuelen die zich uitgesloten voelen.”

Maar dan moet ze het zelf ook waarmaken

Een overheid die inclusie predikt maar preferenties uitrolt is ongeloofwaardig, opperen de geloofsgemeenschappen. En ze hebben gelijk. Je kunt niet ijveren voor gelijkwaardigheid en non-discriminatie, en tegelijk gelovigen uitsluiten van het publieke domein. Dit is in de feiten niet altijd zo, maar het gaat hier opnieuw over een beleving die sterk doordrongen is binnen de meeste geloofsgemeenschappen. Daar leeft het idee nadrukkelijk: “de samenleving staat vijandig tegenover ons, wij tellen niet mee. Voor anderen gelden andere regels die gunstiger zijn. En die regels bedreigen ons in onze existentie.” Ga er maar eens voor staan als politicus.

Herwaardering en dialoog

Aan tafel zitten zal niet genoeg zijn. En het opdringen van decreten die niet gedragen worden ook niet. Je bedient er een bepaald (kies)publiek mee, maar niet de samenleving. De overheid moet leren inzien dat je die parallelle samenleving – die je zelf verafschuwt – op deze manier installeert en stevige teugels geeft.

Een moslimexecutieve die meent dat ze geen middelen meer wil mag dat wensen. De grondwet waarborgt die vrijheid. Pinksterkerken of hindoes hebben helemaal niks met middelen en overheid te maken, net omwille van die vrije ruimte, en wensen daarom niet onmiddellijk een erkenning.

De vraag is of de overheid daar niks moet aan doen. De fixatie op de islam is uiterst eng (in beide betekenissen van het woord). In alle geloofsgroepen is er immers een trend naar radicalisering en isolationisme. Wel of niet gestuwd door een dominant anti-religieus discours. Dat valt moeilijk te peilen. Je kunt evengoed opperen dat de religies het zichzelf hebben aangedaan. En dan nog…discussies in de marge. De vraag is: “tellen jullie nog mee, beste religies?” Maar soms blijkt het dat de meeste politici die vraag in hun diepste binnenste reeds beantwoord hebben. En ja, de meeste gelovigen voelen dit aan, net als hun verantwoordelijken. Net dat gevoel zou tot nadenken moeten stemmen.

Veel meer dan dialoog

Aan de éne kant moet je de lijnen dus openhouden, versterken en herwaarderen. Aan de andere kant moet je de rechtstaat beschermen en àlle spelers op het levensbeschouwelijke veld de spelregels uitleggen. Het machtsmisbruik binnen die geloofsgemeenschappen wordt alleen maar groter door een gebrek aan interesse en dialoog, want vanuit isolement is nog niks goeds gekomen, tenzij geweld en vervolging. Een zekere verwevenheid mét de samenleving, zonder directe politieke macht, is een conditio sine qua non, wil men isolationisme en radicalisering tegengaan. Andersom: het is niet omdat een geloofsgemeenschap (of een representatief orgaan) geen middelen meer wenst dat ze buiten beeld blijft of zichzelf buiten beeld plaatst. Zo werkt het niet.

Elkaar leren graag zien zal moeilijk lukken binnen het huidige tijdsframe. Misschien moeten allen gewoon de danszaal in. Ook daar komen mensen samen die elkaar van haar noch pluimen kennen, maar toch een verlangen hebben: samen dansen.

Express Yourself Fully With These 12 Dance Styles | Native american dance,  Dance fashion, Tribal dance

Eindigend met dit metafoor: het is beter samen te leren dansen, dan de slechte danspartner overboord te gooien na een uitputtende dansmarathon. Het gaat om de pasjes die je daarbij zet, niet om wie er het langst of best dansen kan. In het oor van je danspartner kun je, tussen de muziek door, best ernstige zaken toevertrouwen en vertrouwen winnen. Wie boetseert de balzaal?

Thomas Holvoet