“Onder het plaveisel het moeras”

De titel van dit bekroonde boek van A.F.T.H. Van Der Heyden uit 1996 is een metafoor op zich. Maar voor het VPRO-programma “De Plantage”, las de auteur een passage voor over de “vrije wil”. Die vrije wil is steeds gedetermineerd tot het persoonlijk haalbare. De bijschaaf-mogelijkheden worden op vandaag zodanig uitvergroot dat je je de vraag kunt stellen of de mens nog wel om kan gaan met zijn of haar beperktheden. Daarnaast is het ook gewoon correct vast te stellen dat de context de beperktheden van de persoonlijke ruimte zelf niet meer aanvaardt. Op zijn beurt leidt dit onherroepelijk tot burn-outs, depressies en (voor zij die het wel goed hebben) tot een rotsvast geloof in de maakbaarheid van zichzelf.

In “De tandeloze” tijd, het magnum opus van A.F.T.H. Van Der Heyden, leest een getergde protagonist de levieten aan het leven. Het gaat daarbij over wat ons allemaal boven het hoofd gestegen is, als mieren in een kom: “de vrije wil”. Maar eerst even de passage.

Uit “Onder het plaveisel het moeras”

“O, nee, ik heb ‘m niet leren ontkennen, die ouwe, trouwe vrije wil, dat nog net niet, ben je gek. Daar is het te vroeg voor….’t heeft alle tijd…Maar ik ben er wel anders tegenaan gaan kijken, tegen de vrije wil, en wel zo, dat ik ‘m bijna de deur uitgekeken heb. Bijna, zeg ik. Toen ik van m’n eerste verbazing bekomen was, besloot ik dat hij nog een tijdje mocht blijven…als hij z’n plaats maar wist…z’n eigen, bescheiden plaats. Van die tijd af had hij trouwens verrekt weinig aanspraak aan me. Eén woord, daar moest hij het mee doen. Koest.”

Onder het plaveisel het moeras, A.F.Th. van der Heijden | 9789021466354 |  Boeken | bol.com

De vrijheid van de vrije wil

Ook bij filosoof Arthur Schopenhauer zien we het vraagstuk ontstaan bij een man, die op straat in zichzelf mompelt:

Het is nu zes uur ’s avonds, het werk zit erop. Ik kan nu een wandeling gaan maken, of ik kan naar de club gaan; ik kan de toren beklimmen om de zon onder te zien gaan, maar ik kan ook naar het theater gaan; ik kan bij deze vriend op bezoek gaan, maar ook bij een andere; ik kan zelfs de stadspoort uitlopen, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen. Dit hangt allemaal alleen van mij af, ik heb daartoe de volledige vrijheid. Toch doe ik dat allemaal niet: ik ga even vrijwillig naar huis, naar mijn vrouw.

Schopenhauer vertelt dit verhaal om te onderstrepen dat het idee van de vrije wil een hardnekkig misverstand is.

Maar waarom dan?

Dat we geneigd zijn hier anders over te denken en vast te houden aan het bestaan van een vrije wil, komt doordat de oorzaken van ons willen buiten ons gezichtsveld liggen. Daardoor voelt het willen op het moment dat het opkomt, aan als vrij. Volgens Schopenhauer wordt onze misvatting ook nog eens versterkt door de relatieve vrijheid die we bezitten bij het maken van keuzes uit alle motieven die zich aandienen. Aan ons handelen gaat vaak een moment of periode van delibereren vooraf. Via de rede halen we ons de motieven die ons beïnvloeden, voor de geest. We wegen ze tegen elkaar af.

Arthur Schopenhauer

Dit vermogen om met onszelf te overleggen geeft ons een keuzemogelijkheid. Het biedt ons vrijheid in de zin dat het ons vrij maakt van de dwang die uitgaat van direct waarneembare gebeurtenissen of objecten. Maar deze vrijheid is slechts relatief. Relatief, vergeleken met de vrijheid die dieren niet hebben. Dieren zijn immers gebonden aan de louter aanschouwelijke voorstelling. Ze ruiken, horen, zien, voelen of proeven iets en reageren daar direct op. De zintuigelijke indruk veroorzaakt een motief, waarop onvermijdelijk actie volgt, tenzij het motief door een ander, sterker motief zoals africhting, wordt tegengewerkt. Dieren missen de woorden en de taal en daarmee het abstracte denkvermogen om te reageren los van de gebeurtenissen in het hier en nu. Niemand zal dieren dan ook een vrije wil toedichten.

Dat ligt anders bij ons, mensen. Via de taal kunnen we ons losmaken van de aanschouwelijke voorstelling. Daarmee lijken we ook verlost van externe indrukken, maar dat is slechts schijn. De noodzakelijkheid waarmee indrukken op ons inwerken en motieven veroorzaken, blijft onverminderd bestaan. 

De “vrije wilen het dagelijkse bestaan

Voormalig president Obama gebruikte “Yes you can” als slagzin bij zowat elke verkiezingsmeeting. De bedoeling was mensen terug het gevoel geven dat ze wel degelijk een verschil kunnen maken. Hij gaf ze daarmee, als begeesterend redenaar, een gevoel van geloof in zichzelf. Evenwel kan dit in vergaande vorm doorslaan naar een narcistische ondertoon die de de maakbaarheid van een mens benadrukt wil zien, en verkondigt als dogma.

Obama had het niet zo bedoeld. Hij sprak die woorden ook uit in een tijdsgewricht waar het narcisme reeds aangewakkerd werd. Het is een stuk in onszelf, in ieder van ons, dat destructieve proporties kan aannemen. Na Obama kwam immers…Trump.

Alles is taal

Voor een maatschappelijk werker als ikzelf, opgeleid met het vizier op de context van een mens, is er sowieso een beperkte ruimte van keuzevrijheid. Veel, zo niet alles hangt af van de omstandigheden waarin je opgroeit (tot en met het dorp, land of regio), je opvoedingsfiguren en de littekens die je opliep tijdens je levensjaren. Ook je gezondheidstoestand is bepalend, fysisch en psychisch. Tot hier de maakbare mens.

Het omgekeerde beweren: dat er géén sprake zou zijn van keuzevrijheid of vrije wil is evenzeer een dwaasheid. Alleen meent het sociaal werk dat de voorwaarden om hier gebruik van te maken niet te nemen of te laten zijn. Je moet met een meerzijdige bril kijken naar de mens, die samenhangt met alles in en rond hem of haar. Daarbij moet voorop gehouden worden dat keuzevrijheid altijd gedreven wordt door “de aanwezigheid van keuze, in een ruimte die dit ook toestaat, zonder de angst om verstoten te worden of gemarginaliseerd te worden”. Met andere woorden: politieke vrijheid, de persoonlijke context en de eigen ervaringen vormen samen een geheel om de mentale ruimte van keuzevrijheid mogelijk te maken. Als één van drie verkeerd loopt, loopt het in het huidige tijdsbestek, die haast alles legt op de schouders van het individu, meestal mis.

En dan nog: die vrije wil is steeds gedetermineerd tot het persoonlijk haalbare. De bijschaaf-mogelijkheden worden op vandaag zodanig uitvergroot in cursussen, vormingen en trajecten, dat je je de vraag kunt stellen of de mens nog wel om kan gaan met zijn of haar beperktheden en tekorten. Daarnaast is het ook gewoon correct vast te stellen dat de context de beperktheden van de persoonlijke ruimte zelf niet meer aanvaardt. Op zijn beurt leidt dit onherroepelijk tot burn-outs, depressies en (voor zij die het wel goed hebben) tot een rotsvast geloof in de maakbaarheid van zichzelf.

Thomas Holvoet