J’existe

Guido Vanhercke vertelt over zijn uitstap naar een tentoonstelling van de fotografe Helen Levitt die nog tot 10 april te zien is in Brussel. Met verwondering kijkt hij naar de mensen die hij tegenkomt, hun bewegingen, hun lichamen, en de vraag wat ze eigenlijk te vertellen hebben in deze tijd. “Tijd kan je doen oplossen door het juiste moment te pakken. Dan lijkt het alsof het moment toen er nu nog altijd is.”

Al die mensen, zei ik tegen mijn lief. We liepen door het Centraal Station van Brussel tussen een hoop mensen die ook liepen, soms letterlijk hard liepen. Eerder die dag waren we uitgestapt in het Zuidstation en had ik ze ook gezien: al die mensen… Maar nu waren er meer, nu was het avond en de dag was voorbij, en die vele lichamen wilden naar huis, en wij stonden ertussen, keken tegen schouders aan, mutsen, allerlei rugzakken. Gezichten ook, en als er eentje terugkeek en wat bleef kijken, begon ik mij al af te vragen wat voor een verhaal het te vertellen zou hebben. Je zou er een uit moeten kunnen pikken, jezelf voorstellen, ergens gaan zitten en naar elkaars leven luisteren. Kan tegenvallen, kan ook een geweldige roman opleveren.

We waren naar Brussel gekomen voor een fotografe die ook zo graag mensen keek: Helen Levitt, in de Fondation A Stichting (uniek toch, die Belgische dubbeltaal). Levitt had rondgelopen in New York halverwege vorige eeuw, en hier was een selectie te zien van straatfoto’s uit armenwijken: spelende kinderen die nog altijd lijken te bewegen, volwassenen in hun eigen kleine bezigheid (wachten, werken, de straat oversteken…). Zoals voor Cartier-Bresson was fotograferen voor Levitt het pakken van het juiste moment. Tijd kan je doen oplossen door het juiste moment te pakken. Dan lijkt het alsof het moment toen er nu nog altijd is. Dat is niet minder dan wonderlijk. We waren even bij haar, in die toen nog lege straten van New York.

Maar weer in Brussel overviel het me opnieuw: al die levens rondom mij. Al die huizen, zei ik tegen mijn lief, dat daar allemaal mensen wonen… Toen we met de trein de stad binnenreden, konden we er van boven naar kijken, als waren we een vogel. Voor de hoge huizen was ik nu maar een kleine mens, ik veronderstel dat ze me niet zagen. Een volle tram gleed met zware elegantie voorbij. We hadden ’s middags wat gegeten in het kunstencentrum Wiels en door het raam had ik al kunnen zien op hoeveel verschillende manieren mensen wachten op de tram of de bus.

Opvallend was de stroom graffiti en stickers op muren en palen. Al die mensen hadden blijkbaar toch nood aan een of andere teken van leven. We zagen een sticker terugkeren waarop stond: “J’existe”. Ja, korter en bondiger kan je het niet zeggen. Nu nog iemand die er naar luistert, en zegt: “allez vertel eens…”

De Beatles maakten er ooit een lied over: “all the lonely people, where do they all come from”, met die prachtige cello. Maar lonely zou ik ze niet noemen, al die mensen. Ze komen voorbij met een vol boodschappenwagentje, ze tateren onder elkaar als ze jong en meisje zijn, ze haasten zich de straat over, ze warmen de quiche op die we willen eten en willen de kop koffie die ik nadien omstoot gratis vervangen (maar dat heb ik met dank niet aanvaard…). Maar loneliness zag ik niet. Dat is ook moeilijk, die zit vanbinnen. Binnen in het lijf, binnen in de huizen. Maar ik had die loneliness niet nodig, je kan toch niet anders dan onder de indruk zijn van zoveel beweging van zoveel leven. Het houdt niet op, en het is telkens anders, elk moment weer anders. Mocht Levitt hier zijn, ze legde er enkele vast voor binnen vijftig jaar…

Guido Vanhercke

Foto’s: Helen Levitt – De tentoonstelling is nog te bezichtigen tot 10 april. Meer info? Klik dan hier.