Snurkologie

Snurken is een ergernis, maar misschien ook een onbegrepen kunstvorm. Iets dat we niet goed begrijpen, maar mits enige inspanning kunnen beschouwen als een waardevolle bijkomstigheid in ons dagelijkse leven. Guido Vanhercke schrijft erover met een finesse waardoor je haast verlangt naar de meer filosofische achtergrond van de “snurkologie”.

Waarover ligt een mens te denken, wakker geworden, in zijn bed? Vreemde dingen alleszins, want ik was, soezend in dat warme nest, met de vogelstemmen vaag in de verte, aan het nadenken over snurken. Een kleine studie van de snurk, daar was ik, godbetert, mee bezig.

De lichtste vorm van snurken is een klein licht janken. Zoals de dag zijn kleine kreetjes heeft (waauw, ooh, amai, plots even verschieten en lucht doorslikken), zo zal het ook wel zijn voor de droom, nauwelijks hoorbaar en zo voorbij.

Dan komen de zachte pufjes. Mijn vrouw is daar goed in, beetjes lucht uitblazen. Er zit geen echte structuur in, ik heb mijn best gedaan om daar wat ritme of een patroon in te herkennen, maar tevergeefs. Is ze aan het joggen in haar dromen, zij die nooit jogt? Zijn het haar lippen die loos gaan?

Zij verwijt mij (zachtjes hoor, ze slaat me niet om de oren) dat ik luid adem. “Luid ademen is niet erg”, zeg ik. “Nee”, zegt ze, “maar dan mogen je neusgaten niet blazen als een windtunnel”.

Cartoon People Vector Illustration

Soms zegt ze, tussen twee artikelen van het ochtendblad door, dat ik die nacht weer van jetje heb gegeven. Daar bedoelt ze dan een behoorlijk luide snurk mee. Blijkbaar ben ik ’s nachts van tijd een echte knorrepot, zo’n Harley Davidson die de gas even openzet. En blijft openzetten, voor het plezier van het ronken.

Maar ik heb mijn antwoord klaar. Mijn lief ronkt misschien niet, maar ze kan wel knallen. Zij doet aan snurkopbouw: eerst wat pufjes, dan wat klein geronk, maar steeds luider, tot er uiteindelijk een ontploffinkje volgt (in doktoorstaal: apneu). Soms slaat ze de voorbereiding over en produceert ze, zomaar vanuit het niets, een behoorlijke knal. Het is niet dat ik de hele nacht die muziek van haar hoor, maar soms word ik er toch even zenuwachtig van. “Is dat zo”, zegt ze glimlachend, terwijl ze even van haar koffie drinkt, “daar weet ik helemaal niets van”.

Guido Vanhercke